Orval Jongeren in Gebed OJP

Gevonden OJP 2018

Hij gaat met ons op weg


Inleiding donderdag 9 augustus 2018

Heilige PaulusDe uitdaging van een bekering

De heilige Paulus was iemand die, net als de Emmaüsgangers, onderweg was.  Hij was meer dan teleurgesteld door die Jezus van Nazareth: hij beschouwde Hem in feite als een tegenstander, zelfs een gevaarlijke vijand van het joodse geloof.  Maar ook hij was niet alleen op weg, Jezus wandelde op mysterieuze wijze met hem mee.  Hij gaat hem op een geheel andere wijze de Schriften uitleggen.  Hij zal helemaal uit evenwicht zijn van de wijze waarop Jezus, doorheen de Schriften en Zijn eigen woorden uitlegt wie God is voor ons.  En wat wij zijn voor Hem. Een korte schets van wie Paulus wasEen man die leefde op het snijpunt van twee grote culturen :- De joodse cultuur ( hij heette Saulus voor de joden)- De Grieks-Romeinse cultuur (hij heette Paulus in het Grieks)
Zelfs als hij al misschien geboren is in Jeruzalem, is zijn familie vrij snel naar Tarsus verhuist, (op de huidige Turkse kust) dat gekend was voor zijn scholen van hoog niveau.  Hij  kreeg een Rabijnse opleiding bij een grote joodse meester, Gamaliel, te Jeruzalem.  Het was een opleiding van hoog niveau in de
Een opleiding tot de Schriften van hoog niveau, goed vindbaar in zijn geschriften.Une formation aux Ecritures de haut vol, bien repérable dans ses écrits.
Hij was een deel van de spirituele school die de Farizeeën heette(NB : De visie van de Farizeeën is vaak nogal polemisch in de evangelies, maar deze dateren maar van een vijftigtal jaren na Christus. Op dat moment was de polemiek tussen de christenen en de Farizeeën nogal fel, want het is in deze jaren dat de Farizeeën de christenen definitief uitsloten uit de synagoge.)
Het Farizeïsme is geboren in de eerste eeuw voor Christus op een moment dat Palestina bezet was door de Grieken die weinig respect toonden voor het joodse geloof. Het Farizeïsme wilde de joodse identiteit bewaren door zich te focussen op het verschil: de centrale plaats die de Thora inneemt.   Zij wensten de Wet ten volle na te leven, niet  louter de 10 'geboden', maar ook de 631 voorschriften die er uit voortvloeiden voor hen.  Men was bijzonder gemotiveerd door de verschillen te onderlijnen en zodoende insisteerde men vooral op de geboden betreffende de reinheid: (Heb niets gemeen met de goddelozen en de  onreine) en dus beschouwde men deze als mensen waarmee men niet mocht omgaan.  Het ging dan over zij die zeker slecht zouden doen, de zondaars, maar ook de zieken, de buitenlanders (geer als zijnde buitenlanders die niet besneden waren) de melaatsen, ...Het gevolg was een maatschappij die verdeeld was in naam van de religie, met belangrijke uitsluiteingen, een tweedracht tussen reinen en onreinen, met het risico om die reinheid, die perfectie, die uiterlijke kant meer in het daglicht te stellen dan de kant van het hart.  Dat is dan juist waar Christus vragen bij stelt. (In de lijn van de profeten voor Hem die reeds verschillende malen zagen dat deze wettelijke logica zich nestelde in de maatschappij)
Paulus beschouwde zich als een wetsijveraar, een militant van deze radicale interpretatie omtrent identiteit ( te meer daar men in een wereld leefde waar de heidenen de dominante groep vormden).
Vandaar het feit dat de gelovige een vervolger van christenen wordt. - Men ziet dat hij meer is dan een toeschouwer van de steniging van Stefanus.  Hij keurt deze wijze van terechtstellen goed. - Deze Stefanus is een Griek (men zegt een helleen) die sympahtie vertoonde met het joodse geloof et die vandaar overgegaan is naar het Christelijk geloof.   - Al stervende houdt hij een rede waarin hij de Wet en de Tempel relativeert, dat was een tendens bij de Grieken die het joodse monotheïsme aanhielden maar die Christus relativeringen van een bepaald aantal voorschriften omtrent identiteit (zoals voedselvoorschriften, koosjer- offers omtrent de reinheid)  Hij lijkt regelmatig de muren neer te halen die de scheidingen in geloof juist bewerkstelligen,  vooral als het erom gaat om naar de andere toe te gaan, om te dienen om de andere goed te doen (zoals genezen).  Bovendien is het voor het christelijke geloof, wat een centraal punt is, niet vooreerst de regels die tellen, het is Iemand die telt, de persoon van Christus zelf: Zijn wijze van God lief te hebben, Zijn wijze om iedereen lief te hebben, dat is wat de Wet maakt in het Christendom.   Voor Hem, wat ons redt, het heil, is wat ons leidt naar het werkelijke leven, het koninkrijk Gods, dat is niet het opstapelen of verzamelen van waarnemingen, maar het ontdekken dat we geliefd zijn door God op de wijze waarop Christus van iedereen houdt, gratis, zonder voorwaarden, ongeacht wie hij is en van waar hij weze...   En in antwoord hetzelfde doen en liefhebben om niets, gratis. 
Christus was niet tegen de Wet, noch tegen de voorschriften en geboden: zij zijn de wegen  die ons voorgesteld worden om God en onze naaste werkelijk lief te hebben ...  maar met onderscheiding. 
Nochtans zijn er ook valkuilen  aan bepaalde wijzen van het interpreteren, observeren van de wet, wanneer men geen juiste hiërarchie in de naleving kent, wanneer men het centrale punt uit het oog verliest, hetgeen uiteindelijk bedoeld wordt?  En dat de naleving een doel 'an sich' wordt, een wijze om zichzelf te waarderen, een manier om zijn zelfbeeld te dienen en niet een dienst aan God, voor God en zijn naaste. 
Wat gebeurt er eigenlijk op de weg naar Damascus waar Paulus naartoe trekt met een mandaat om de Christenen in de gevangenis te werpen, om hen naar Jeruzalem te brengen ...  zonder twijfel om hen vervolgens te stenigen? ( in feite gaat hij te Damascus 'hellenen' zoeken die Christen geworden zijn, die mensen die hij beschouwt als een bedreiging want zij noemen zich jood op de wijze als Christus maar relativeren net als Christus een hele resem voorschriften die Paulus als onaanraakbaar ziet!)
De gebeurtenis op de weg naar Damascus vertelt de Heilige Lucas drie maal in de handelingen en op een ietwat spectaculaire wijze- naargelang de omkering die Paulus meemaakte.  Maar als Paulus er zelf over spreekt, doet hij dat soberder: hij zegt dat hij 'getroffen is door Christus', gegrepen door  Hem. (Fil 3,12)Om over deze innerlijke ervaring te spreken zegt hij: 'God heeft aan mij Zijn Zoon geopenbaard' (Gal 1,16)  En hij hoort Christus hem ondervragen: 'Saul, Saul, waarom vervolg je MIJ?' - 'Wie bent u Heer?'- 'Ik ben Jezus die jij vervolgt!'    'Waarom vervolg jij mij?' ...Wat gebeurt er?  Wat verlicht de Geest bij hem?Zonder enige twijfel verschillende zaken, waaronder onder andere: - Dat Christus, veroordeeld en ter dood gebracht door de hoge priesters, gekruisigd als een Godslasteraar , de ware Messias is, ondersteund door God...  wat alles verandert.   Er is dus een andere wijze om de Wet te volbrengen - niet onverzettelijk (onbuigzaam).
- Waar integendeel, door zijn onbuigzame naleving naar de letter van de Wet Paulus gemaakt had tot een man van geweld en dood. 'Waarom vervolg jij mij?'  Door de volgelingen van Jezus te vervolgen lijkt het bijna of hij Jezus opnieuw kruisigt.  Hij voert de Wet uit ... en dat maakt van hem iemand die dodelijk is .... hoe is dat mogelijk, kunnen gebeuren?
- Als God hem openbaart dat zijn Zoon de Opgestane Messias is ... Welnu- als Jezus dit deed voor allen op het kruis- in de naam van God Zijn Vader, dan vergeeft Jezus ook aan hem  'want hij weet niet wat hij doet'  - meer zelfs,  Hij, Paulus de geweldenaar, de vervolger, hij die dood zaait, is nu geroepen om getuige te worden van Christus.  Hem wordt gevraagd te vertrouwen op het feit dat God hem vertrouwt ... ondanks zijn imperfecties. 
- Deze onthulling, de roep, dit vertrouwen ... God geeft hem deze 'gratis'.  Alhoewel hij nu een zondaar is, alhoewel hij het niet 'verdient' dat men hem vertrouwen schenkt, God gelooft in hem en heeft hoop in hem!  "Sta op, ga de stad in en men zal u zeggen wat u moet doen".  En daar treft hij Ananias aan wie God juist zei 'deze man is een instrument dat  gekozen heb om mijn naam te verkondigen".
Wat komt deze plotse openbaring van Christus en Zijn evangelie het leven van Paulus verstoren. Hij otdekt een gezicht van God dat hem verborgen was...  en dat Christus verlangt aan ons te onthullen, openbaren. Om het eenvoudig te zeggen: De God die Christus ons is komen openbaren- door zijn Evangelie, door zijn manier van zijn en door zijn woorden - is een God waarvan we men de liefde niet moet verdienen : men moet niet betalen om door Hem geliefd te worden, noch door de offers en devoties te vermenigvuldigen, noch door de 613 geboden, voortvloeiend uit de Wet, perfect in ere te houden, noch door ernaar te streven perfect te zijn in deugden.  (wat op zich al onmogelijk is en daar was Paulus zich goed bewust van): hij had reeds een voorgevoel dat het geloof eerst gezien als een verplichting van het vervullen van een aantal normen een moralisme van 'ik moet' - 'jij kan niet'- 'het moet'- als een wijze van nastreven van hetgeen Jacques Arène de 'tirannie van de perfectie' noemt, Paulus stelt vast dat dit iets wanhopigs is want het is volkomen onhaalbaar tenzij men over zichzelf een illusie maakt. Wat hij heeft ontdekt in zijn 'bekering' is de superioriteit van wat hij 'genade' noemt.   De God die ons openbaart dat Christus diegene is die ons gratis, om niet, liefheeft 'sedert alle eeuwigheid'- 'zonder verdienste van onze kant'.  Hij is alle 'barmhartigheid', hij heeft ons 'geadopteerd' zonder voorwaarden, om niet, zonder dat we Hem iets moeten bewijzen.  Hij spreekt over 'genade' om deze 'gratis' liefde te benadrukken, 'die genade schenkt' ... die zich aanbiedt en zichzelf 'genadevol' schenkt - die zich geeft ondanks (par-déla  overkant eigenlijk) onze gebreken en ons gebrek aan wederkerigheid. Het jodendom heeft altijd de intuitie gehad dat het feit dat God Abraham, Isaak, Jakob, Mozes en heel zijn volk heeft uitgekozen (het kleinste onder alle volken) om niet was, gratis:Citaat uit de schitterende tekst van Ezechiël 16, 3-83Ge moet zeggen: Zo spreekt Jahwe de Heer tot Jeruzalem: Naar afkomst en geboorte ben je uit het land van Kanaän; je vader was een Amoriet, je moeder een Hethitische. 4Toen je geboren was werd je navelstreng niet doorgeknipt; je werd niet met water gewassen, ter reiniging; je werd, toen je ter wereld kam, niet met zout ingewreven noch in doeken gewikkeld. 
5Niemand had medelijden met je of ontfermde zich over je om voor je te zorgen. Op de dag van je geboorte werd je in het vrije veld te vondeling gelegd, omdat men aan jouw leven geen waarde hechtte. 
6Toen kwam Ik langs je en toen Ik zag hoe je daar lag te trappelen in je bloed, sprak Ik tot je: 'Blijf leven! Blijf leven!' sprak Ik tot jou, terwijl je lag te trappelen in je bloed. (dit wordt in sommige schriften tweemaal herhaald)
7Onder mijn zorgen groeide je op als een veldbloem; je groeide op, werd groot en zeer schoon; je borsten werden rond en je haar groeide, maar je was nog altijd moedernaakt. 8Toen Ik weer langs kwam, zag Ik dat voor jou de tijd van de liefde was gekomen. Ik spreidde de slip van mijn mantel over je uit en bedekte je naaktheid. Ik zwoer je trouw en ging een verbintenis met je aan; je werd de mijne, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Maar er is een omkering die zich kan voordoen op het spirituele en morele ...   men vergeet deze gratuiteit... die ons nederig laat, helemaal klein maakt  voor deze immense goedheid van God...  En een beetje hoogmoedig, men zegt ...  in het diepste van de liefde moet men ze verdienen en ik ben er toe in staat ...  Dient men zich niet te bewijzen aan mij (en aan God en aan anderen) dat ik op hetzelfde niveau ben?  Of men zegt tegen zichzelf: kan God echt van ons houden zonder voorwaarden, gratuit, om niets...  Kan ik me voor Hem vertonen met lege handen, dient men niet te bewijzen dat wij beminnenswaardig zijn...  Het is dan dat men offers brengt, dat mijn de geboden respecteert, het is dan dat men liefheeft om zelf bemint te worden, dat men zich beminnenswaardig toont, waardevol...  Met het risico dat men zich van de anderen bedient om door God erkent te worden, of door zichzelf... Wat de heilige Paulus ontdekt is samen te vatten in deze formule die Luther goed begrepen heeft: "het is het geloof dat redt en niet de werken".Het is het geloof, het is te zeggen het geloof als vertrouwen (confiance kan ook geloof en gerustheid betekenen) en de liefde van God die mij bemint zoals ik ben, het is dat dat redt, dat leidt naar een gelukkig leven; et het is niet de vermenigvuldiging van onze werken om onze perfectie te bewijzen en te verdienen om als beminnenswaardig erkend te worden.  Het is waar dat wij geroepen zijn om God en de anderen actief lief te hebben (geen geloof zonder werken, in deze zin te verstaan hier), maar volgens de logica van Christus,  volgens de logica van "Zijn Koninkrijk" (maar al te vaak vergeten).  Deze liefde die wij leven geven wij niet om door Hem geliefd te zijn, noch om zijn liefde te verdienen, maar wij proberen lief te hebben en te antwoorden op deze eerste liefde die ons steeds voorafgaat!  Wij geven deze liefde, die ons gegeven is en zonder dewelke wij maar weinig zouden voorstellen, terug: de liefde krijgt men altijd en men krijgt ze om geven en delen te zijn. Het is een fout om over de, ons door Christus geopenbaarde, God te geloven door onze offers, onze gehoorzaamheid (observance is gehoorzaamheid, naleving) en onze deugden, wij verdienen zijn liefde en zijn vergiffenis. Het is een andere fout te geloven dat God ons zou kunnen straffen, ons beproevingen zou sturen omdat we niet tot juiste niveau zijn gekomen, of gebreken in verband met gehoorzaamheid zouden vertonen of de deugden an sich (het gebrek aan deugd kan ons leiden tot impasses, tot wegen die leiden naar de dood... het geweld lokt de dood uit ...  maar deze dood, het is niet God die deze dood ons zendt.)Het is een andere fout te geloven dat God de ene wel bemint en de anderen niet, overeenkomstig hun eigenheden:  hun nationaliteit, hun ras, hun sociale rang, hun geloof, hun seksualiteit, hun meningen ...Het risico van farizeïsme dat verdeelt, dat een onderscheid maakt tussen de reinen en de onreinen- en dat Paulus zelf leefde, hij vermeldt het zelf-  is in feite geworteld diep in elk van ons 'ergens': in onze relatie met God, het is niet zonder moeite dat wij geloven in Zijn onvoorwaardelijke liefde. Wij hebben moeite om te geloven dat wij door Hem bemind worden, zelfs als we met onze handen leeg steen (soms wringt dat een beetje, wij zijn zodanig ons ervan bewust dat God ( en ook de anderen) het geluk hebben ons te hebben!  Deze nederigheid en dit instemmen met de gratuit van Zijn liefde is een waar spiritueel gevecht).nous avons peine à croire que nous sommes aimés de lui, même quand nous arrivons les mains vides… (parfois cela nous vexe un peu : nous sommes tellement conscients que Dieu (et aussi les autres) ont de la chance de nous avoir ! Cette humilité et ce consentement à la gratuité de son amour sont un vrai combat spirituel). lijkt bizarMaar het is ook waar in relaties met de anderen: wij zoeken zo vaak, onbewust, naar de perfectie - de perfecte vriend zijn, de collega of het perfecte kader zijn, de moeder, de echtgenoot, de religieuze, de perfecte monnik...  de model medewerker, het perfecte koppel, de perfecte ouders, ...  - het is door vrijgevigheid zonder twijfel, maar ook -laat ons het maar erkennen- om eigenlijk subtiel zelf erkend te worden, om hun liefde te verdienen, (waardig te zijn), om hun achting te verdienen, om in wederkeren ook betaald te worden.  Het is dat wat zich goed verstop tin de zinnen die vaak gezegd worden door de mensen die ontgoocheld zijn omdat men geen rekening hield met hun verdiensten en hun vrijgevigheden...  :"Als ik denk aan al wat ik voor jou gedaan heb?"...En dan, in het relationeel en affectief leven, in onze relaties met onszelf is er ook die angst, deze geheime angst: ben ik beminnenswaardig, ben ik waardig?   Wij zij niet zo zeker dat men om niets bemind kan worden...  zonder dat we het voortdurend moeten verdienen...  ondanks onze gebreken, onze fouten, onze imperfecties.  En het ergste is dat 'de wereld', de maatschappij ons dat regelmatig doet verstaan dat het zo werkelijk zou zijn: als jij erkend wil worden, bewijs het!  Ongelukkig aan de nietswaardige!  Men doet ons regelmatig verstaan dat het door onze rentabiliteit, onze prestaties, onze goede resultaten, onze offers voor de onderneming...  dat al dat ons verdienstelijk (achtenswaardig) maakt, dat dat ons enige "eerbied" (achting).... en soms promoties, bonussen!... Welnu (or) Christus komt ons verlossen van deze angsten, van deze benauwdheden (angoisses) over van onze imperfecties, onzuiverheden. Christus  vraagt ons slechts één ding: vertrouwen( confiance is ook geloof gerustheid) hebben in Zijn vertrouwen!  Wat ons in Christus gevraagd wordt is: geloof!  Het is durven 'vertrouwen'(kan ook geloven zijn) te hebben en te geloven in deze immense liefde... onvoorwaardelijk van een God die ... gelooft in ons... en die ook hoop heeft in ons ondanks onze zwakheden en onze gebreken - en we hebben er allemaal... Het is hij die ons geneest van onze "minachting van onszelf" (déconsideration is minachtig, verlies van achting, aanzien): God verlaagt ons nooit tot onze mislukkingen, tot onze zwaktes, zelfs niet tot onze zonden.  Het is dat dat ons bevrijdt en dat ons ook geneest van onze valse superioriteit over anderen...  Deze noodzaak van zich superieur te voelen...  om zich iemand te voelen!Het is dit geloof in deze onvoorwaardelijke liefde die ons hart geruststelt (stilt). Die ons bevrijdt van de noodzaak te lopen op de toppen van onze tenen om ons op het juiste niveau te voelen...  In feite, de perfectie...  is durven geloven dat wij altijd geliefd zijn ondanks onze gebreken, imperfecties... en dat men altijd opnieuw kan vertrekken, geroepen en gewild door God. Wat Christus ons voorstelt is deze omslaande ervaring( van uit ons lood geslagen te worden) die Paulus op de weg naar Damascus ook ervoer:  Hij heeft werkelijk deze openbaring dat God, zoals door Jezus verkondigt een God van barmhartigheid is.  En het is dat dat volstrekt nieuw is voor hem, deze welwillende(kan ook vriendelijke) barmhartigheid, dat is het wat de Wet is bij Hem telkens als hij ons bekijkt.  Durven geloven dat Hij naar ons toekomt op onze wegen, zelfs als wij met geweld naar God kijken, naar de anderen of naar onszelf. (violence kan ook opvliegendheid, betekenen.)  Paulus is nooit teruggekeerd van dat: "Ik die een lasteraar Gods was, vervolger en geweldenaar, Hij heeft mij barmhartigheid betoont, omdat ik door onwetendheid handelde en niet door geloof" (1Tm1,13)Voor Paulus, is deze genadevolle God dus een God die 'genade shcenkt', een"God die rijk is aan barmhartigheid, (eleos) omwille van een grote liefde waarmee Hij ons liefheeft.  (Ef2,1-7) En wij lezen in (Ti3,4-7):" Toen God, onze Verlosser, zijn goedheid en zijn liefde betoonde aan de mens(filantropie), heeft Hij ons gered, niet omwille van de juistheid (rechtvaardiging) van zijn eigen daden, maar door zijn barmhartigheid".  Hier ziet men goed het heil door de genade, is het equivalent voor de Heilige Paulus als het heil door de barmhartigheid Gods.  Een God "groter dan ons hart".He is te duidelijk dat de Heilige Paulus niet het belang van het antwoord op deze genade en barmhartigheid onderkent.  Voor hem, de daden van rechtvaardigheid, deze aanpassing(ajustement kan ook vereffening en correctie betekenen) aan God, en ook het feit dat het samenleven  wetten kent, dat er legitieme voorschriften zijn, dat er een christelijke ethiek is (zijn brieven tonen hoezeer hij erover waakt in de gemeenschappen die door hem gesticht werden).  Maar zij kommen tussen in de innerlijke vereisten die de antwoorden zijn en vormen op deze gratuite liefde Gods voor elkeen. Paulus is dus diegene geworden die gelooft in die God die Christus ons geopenbaard heeft, met wie hij twee grote ontdekkingen doet:- de ontdekking van een andere God: barmhartig zonder voorwaarde ... - de ontdekking van een andere wijze van mense zijn: men is geliefd onafhankelijk van zijn kwaliteiten, van zijn prestaties, van zijn eigenheden De ontdekking van een andere wijze van het begrijpen van onze identiteit. Hij hervindt een nieuwe identiteit.  Geen gesloten identiteit waar onze gelijke en onze naaste diegene is die van hetzelfde ras, van dezelfde stam, dezelfde religie is, die de wereld verdeelt tussen zij die gelovig zijn en die God liefheeft -  zij die eventueel minder getrouw zijn... en vervolgens de "niet gelovigen"...  Deze identiteiten zijn snel "dodelijk" (Amin Maalouf). Paulus is de weg gegaan van een open identiteit: gefundeerd op die God die elkeen verwelkomt zonder voorwaarden of reserves: zonder te kijken naar de prestaties, de successen, de loyauteit, de eigenheden van allerlei soorten (joden, heidenen/mannen, vrouwen/slaven, vrije mensen) - een universele liefde gratis, gratuit gegeven aan ons allen.  Een blik en een benadering naar anderen toe gebaseerd op "de genade" en zijn logica - waar elkeen zoon en dochter Gods is: waar elkeen aan mij toevertrouwt is als een broer, als een zus om lief te hebben.  Waar ik uitgenodigd wordt om aan de andere deze open ontvangst ten geschenke te geven die Christus is, en heeft, voor mij en voor allen. 
Voor Paulus was dit een 'nieuwe geboorte" - die nooit eindigt... En dat is voor hem leven als gedoopte: - Volledig "ondergedompeld" zijn in deze liefde Gods die ons nooit verlaten zal.  - Sterven aan wat niet duidt op die gratuit, aan de angst van niet waardig te zijn, aan de verleiding van de uitsluiting, van minachting - die ook nooit eindigt!- Voortdurend herboren worden in het vertrouwen, in de vrede van wie zich geliefd en vergeven weet, in de liefde die zich verder wil zetten, delen, aankondigen, getuigen van wat ons om niets gegeven is. 
Men heeft me gevraagd om enkele consequenties te trekken uit deze bekering van Paulus over de wijze van onderscheiden van wat Christus verwacht over de keuzes in mijn leven...  In feite stel ik voor dat u zelf er in groep op antwoord!!!Deze bekering die Paulus beleefde, in wat helpt deze mij:- om te leren een relatie met mezelf te leven die geruststellender en vertrouwder is - meer verantwoordelijk is ook - om te begrijpen wie die God is die ons door Christus is geopenbaard: welke God verkondigt Hij ons?  In welke mate is de ervaring van Paulus ook een 'revelatie' voor mij?  Wekt zij tegenstand op in mij? - om te begrijpen wie die God is die ons door Christus is geopenbaard: welke God verkondigt Hij ons?  In welke mate is de ervaring van Paulus ook een 'revelatie' voor mij?  Wekt zij tegenstand op in mij? - om te begrijpen wat mijn daden drijft, motiveert?  De, misschien soms ambiguë motiveringen van mijn engagementen, van mijn edelmoedigheid?  De angsten die ik ken en hoe ik me ervan kan verlossen. - om een meer open relatie met de andere te begrijpen en te leven?  meer gratuit?  en wat kan me  helpen om tot deze grotere ontvankelijkheid, deze universele welwillendheid te komen.  Wie  kan me hierin helpen? 
+ Jean-Luc Hudsyn 

Inleiding zaterdag 11 augustus 2018

Blijf bij ons, Heer

De leerlingen van Emmaüs als meesters in gebed (Lc 24,13-35)

Het is wellicht geen toeval dat we slechts één naam kennen van de twee leerlingen op de weg naar Emmaüs. De ene heet Kleopas en de ander blijft tot op het einde van het verhaal anoniem. De tweede leerling kan de naam dragen van elk van ons. Dat is geen wonder, want het zijn onze ervaringen die de Emmaüsgangers hebben. Wij zijn de leerlingen van Emmaüs. Net als Kleopas en zijn gezel hebben we wel een en ander over Jezus gehoord, maar het valt ons moeilijk Hem vandaag te ontmoeten. Onze ogen lijken “niet bij machte Hem te herkennen” (Lc 24,16). Net als bij de leerlingen van Emmaüs schijnt God vandaag veraf te zijn. Jezus heeft wel grote dingen gedaan als “een profeet, machtig in woord en daad” (Lc 24,19), maar die zaken behoren volgens velen tot het verleden. In het heden mer-ken wij en onze tijdgenoten weinig van Hem. Voor de toekomst lijkt Hij wel geen rol te spelen. Zoals eens op de weg naar EmmaüsEn toch gebeurt het ook vandaag dat Jezus zich laat ervaren. Niet van buitenaf, maar in onze nabijheid. Incognito gaat Hij met ons mee, zoals op de weg naar Emmaüs. Dat we de verkeerde kant uitgaan, houdt Hem niet tegen. Dat Kleopas en zijn tochtgenoot Jeruzalem en hun medebroeders en -zusters ontvluchtten om terug te keren naar hun vroegere levensstijl, heeft Jezus niet belet om hen ongezien te vergezellen. Jezus doet dat ook met ons: Hij maakt met ons een doortocht, een passage (in Jezus’ taal: een pesach, een Pasen). Jezus gaat met ons doorheen onze twijfel en Godverlatenheid. Hij gaat met ons mee, zelfs op de vreemdste wegen. Hij beluistert onze ontgoochelingen. Hij wacht op het goede ogen-blik om ons hart te raken.Jezus doet inderdaad meer dan luisteren. Het voornaamste is dat Hij spreekt. En dat spreken doet Hij niet lukraak. Hij start ook niet bij zichzelf. Hij vertrekt bij de lange geschiedenis, waarin God zich heeft laten kennen. De hele weg van God met zijn volk maakt Hij weer actueel. Dit is het geheim van de Jood-se Bijbel: het Oude Testament of het Eerste Verbond met  ‘Mozes en de Profeten’. In dat verbond (of testamentum in het Latijn) gebeurt altijd weer hetzelfde. De Heer komt erin aanwezig, Hij trekt mee met zijn volk: doorheen het water van de Rietzee en doorheen de woestijn. Hij stap mee, vaak incogni-to, meestal in tijden van twijfel en wanhoop, van honger en dorst, van nood en zelfs van dood. Het is één lang verhaal van Gods doortocht ten leven. Jezus trekt die rode draad van de godsontmoeting door en Hij vervult ze. Dat is de ervaring geweest op de weg van Emmaüs: dat Jezus een nieuwe doortocht heeft gemaakt, doorheen de dood. Dat zijn leven en sterven gegrondvest waren in Gods liefde, die blijkbaar sterker is dan de dood. Dat Hij  als Verrezene zijn ontmoedigde leerlingen nabij blijft en met hen door hun ontgoocheling trekt, als een nieuwe passage van de dood naar het leven. Juist in die doortocht hebben de leerlingen van Emmaüs Jezus als de levende ontmoet.Het is die ontmoeting, die ook wij vandaag kunnen meemaken wanneer we hier in Orval geholpen wor-den om met de Broeders te bidden met het Oude en Nieuwe Testament. Ook met ons gaat het verbond (het testamentum) verder. Ook aan ons wil Jezus zich laten kennen. Ook vandaag gaat Hij incognito met ons mee en wil Hij voor ons “de Schrift ontsluiten” en “ons hart doen branden” (Lc 24,32). En wij zijn echt niet de enige aan wie dat wonder gebeurt.Grote voorbeeldenIn de moeilijke jaren van het nazi-regime werkte er aan de theologische faculteit van Berlijn een jonge, beloftevolle docent. Zijn naam was Dietrich Bonhoeffer. Met zijn enorme gedrevenheid liet hij zich steeds meer opmerken, niet enkel als docent, maar ook als catechist. Hij was niet alleen actief voor intellectuelen, maar ook voor eenvoudige mensen. Op de parochie werd hij gewaardeerd om zijn pre-ken. Maar toch was er iets wat hem ontbrak. Op een bepaald moment gebeurde er iets als een bekering. De theoloog werd christen. Omdat Dietrich Bonhoeffer een hekel had aan het etaleren van religieuze gevoelens, liet hij nergens weten hoe de om-mekeer precies verlopen was. Maar het beslissende weten wij wel, dank zij een brief die hij schreef aan iemand die hij goed kende. In die zeldzame confidentie bekende Bonhoeffer: “Ik stortte mij tevoren op het werk op een zeer onchristelijke wijze. Een waanzinnige eerzucht, die verschillenden aan mij gemerkt hebben, maakte mij het leven zwaar en beroofde mij van de liefde en het vertrouwen van mijn medemensen. Ik was in die tijd vreselijk eenzaam en aan mijn eigen lot overgelaten. Het was verschrikkelijk. Toen kwam iets anders, iets dat mijn leven tot nu toe veranderd en een andere richting gegeven heeft. Ik kwam voor het eerst in contact met de Bijbel. Dat valt moeilijk uit te leggen. Ik had al vaak gepreekt, ik had al veel van de kerk gezien, erover gesproken en geschreven – en toch was ik nog steeds geen christen geworden. Ik weet het, ik heb destijds uit de zaak van Jezus Christus profijt voor mezelf getrokken. Ik smeek God dat dit nooit meer mag gebeuren. Ik had ook nog nooit of maar heel wei-nig gebeden. Ik was bij al mijn verlatenheid heel tevreden over mezelf. Daaruit heeft de Bijbel me bevrijd en vooral de Bergrede. Vanaf dat moment is alles anders geworden. Dat was een geweldige bevrijding” .Dietrich Bonhoeffer houdt ons een spiegel voor. Je kunt veel doen voor het geloof. Je kunt over het evangelie spreken en schrijven. Je kunt voorgaan en preken. Maar dat kan evengoed als je van God verwijderd bent. In al zijn ijver en kennis moest Bonhoeffer toegeven: “Ik was nog steeds geen christen geworden”. De grote verandering kwam pas als hij in de Schriften Gods levend Woord ontdekte en voor het eerst leerde antwoorden in het gebed.Natuurlijk kende Bonhoeffer voordien de Schrift. Hij was theoloog van vorming en hij had over menige bijbelpassage gepreekt. Maar blijkbaar moest er nog iets anders gebeuren. De echte bevrijding uit zijn verlatenheid kwam dankzij een bijzondere ontmoeting. Bij de lezing van de Schrift is hij gaan ervaren dat God zélf zich in die tekst tot hem richtte. De Bijbel werd in zijn ogen niet enkel een woord over God, maar ook een Woord van God.Je kunt dat vergelijken met een brief van iemand die je dierbaar is. Je kan die lezen om informatie in te winnen over de ander. Maar doorheen de tekst wil de schrijver of schrijfster je hart raken en bij je bin-nenkomen. En het is die aanwezigheid waar het om gaat.Wij hebben het vaak moeilijk om ons God op die manier voor te stellen. Nogmaals: dikwijls lijkt Hij zo ver weg. Soms schijnt Hij te zwijgen. Een woord van God lijkt een zeldzaamheid in onze dagen (vgl. 1S 3,1). Zou Hij werkelijk spreken? Wij horen toch geen stemmen uit de hemel! Wij zijn nuchter en scep-tisch. En toch… De ervaring van bekeerlingen zet aan het denken. Voor hen is het geen fictie, dat de Heer zich tot mensen richt. Mensen als Dietrich Bonhoeffer hebben zijn nabijheid ervaren. Iets dergelijks overkwam ook Madeleine Delbrel, een jonge Franse atheïste met een sterk sociaal enga-gement. Zij verneemt Gods roepstem op de straat in het appèl van de armsten:“God in ons is diegene die zich, eens en voorgoed, heeft vereenzelvigd met de mens-heid. En zolang een mens iets tekort heeft, is het Christus die in nood is” .Of herinneren wij ons de ontdekking die Augustinus te beurt viel. Na zijn bekering bekent hij aan God:“Veel te laat heb ik U lief gekregen, o schoonheid zo oud, en toch zo nieuw. Veel te laat heb ik U lief gekregen.
Binnen in mij waart Gij ik was buiten, en daar zocht ik U.
Gij waart bij mij, maar ik was niet bij U.
Toen hebt Gij geroepen en geschreeuwd, en mijn doofheid doorbroken” .Om Gods stem te ontwaren in tijden van Godsverduistering moeten we kunnen aansluiten bij het ruime relaas van Gods komst onder de mensen. Daarom is de Bijbel zo belangrijk om God te ontmoeten, net als bij de leerlingen van Emmaüs. Natuurlijk gaat hierbij niet om een afstandelijke, intellectuele benade-ring. Neen, het gaat om een ontmoeting en dit vergt een openheid, net als in Emmaüs, waar Jezus bij de leerlingen binnengaat en zich in het gebroken brood laat herkennen.  Gods Woord in de liturgieGoede vieringen zijn als een voedingsbodem voor Gods Woord, dat het hart van mensen wil raken. Gods Woord raakt in de liturgie het best aan het werk. Eigenlijk zegt de term liturgie dat uit zichzelf. ‘Liturgie’ eindigt op -urgie, zoals bijvoorbeeld metallurgie, de metaalverwerking. In de liturgie gaat het om een werk (ergon) dat geschiedt aan het volk (laos) en waaraan het volk ook participeert. Dat werk heeft alles te doen met Gods Woord. Het keert niet vruchteloos naar God terug, voor het heeft bewerkt wat Hem behaagt (vgl. Js 55,11).Gods Woord doet het best zijn werk in een liturgische gemeenschap. Daar moet je het laten weerklin-ken. Je moet het overwegen in de stilte. Je moet het beamen in gezangen. Je moet het je eigen maken in gebaren. Je moet je door de ritus laten vernieuwen en herscheppen. Wil je de diepste bedoeling van de Bijbel begrijpen, dan moet je niet alleen catechese volgen. Om de Schriften te verstaan, moet je ze meemaken in de praktijk en dat gebeurt op een uitzonderlijke wijze in de liturgie. Daar is de Schrift als een vis in het water. Ze vindt er niet alleen een verklaring, maar wordt er levende realiteit.Het pesach van Gods WoordDit alles gebeurt het sterkst in de voornaamste viering van het jaar, waarin Gods komst telkens weer werkelijkheid wordt. Laten we een blik werpen op de paaswake. In die nacht trekt een stoet van lezin-gen aan ons voorbij en wij worden uitgenodigd om van harte mee te gaan. Gods Woord, dat zo kracht-dadig was dat alles erdoor ontstond, voltrekt in de paasnacht opnieuw zijn scheppend werk. Daar weer-klinkt het relaas van de uittocht uit Egypte waaraan wij mogen deel hebben. Wij horen over de terug-keer uit de ballingschap en wij krijgen met Israël een nieuw hart en een nieuwe geest. Paulus spreekt ons over de doop waarin wij een nieuw leven leiden. Als het evangelie weerklinkt van Christus’ verrijze-nis, gaat het uiteindelijk om ons aller opstanding. Nooit vertelt de Kerk zoveel verhalen als in deze nacht. Maar in alle teksten gaat het om de ene ge-schiedenis van Gods volk: uit de duisternis geroepen tot het licht van Pasen; uit de verstrooiing bijeen-gebracht door de ontmoeting met de levende Heer. En telkens durft de Kerk beweren dat dit alles in diezelfde nacht geschiedt. Doorheen de lezing van de Schriften wordt geproclameerd: “Deze nacht van Pasen is de nacht van uittocht en opstanding. Dit water van de doop is het water waardoor onze voor-vaderen uit de macht van Egypte werden gered. Dit is hetzelfde water waarover in den beginne de Geest zweefde toen de schepping aan de chaos werd ontrukt. Dit is het water waarin de doopleerlingen worden ondergedompeld en waarmee wij onze beloften hernieuwen om te leven in Gods verbond. Dit brood op het altaar is hetzelfde brood waarover Jezus sprak: ‘Neem en eet. Dit is Mijn lichaam’ (Mt 26,26). Dit is hetzelfde brood waarin Kleopas en zijn metgezel de Verrezene hebben ontmoet (Lc 24,30).”Deze bijbelse teksten bieden ontzaglijk veel meer dan een herinnering aan oude gebeurtenissen. Ze roepen het verleden in het heden binnen en laten het werkelijkheid worden voor wie er met een open hart naar luistert. Daarom worden de lezingen tijdens de paaswake ook beaamd door een psalm en een gebed. Zo houden we het niet bij afstandelijk lezen, maar gaan we ook overwegen en bidden. Die dia-loog tussen God en mens maakt het hart uit van de Schrift en wordt ons aller deel door het heilige spel der liturgie.De dag des HerenOok in elke zondagse viering wordt dit realiteit. Op de dag des Heren delen wij in Christus’ overgang van dood naar leven. Wij worden weggeroepen uit duisternis en dood. De Geest komt in ons hart wonen om ons te verzamelen tot Gods volk. Eens zijn Woord ons hart heeft doen branden, gaan we zoals de leerlingen van Emmaüs vragen: “Blijf bij ons” (Lc 24,29). Ook vandaag staat Hij voor de deur en klopt. Als wij zijn stem horen en de deur openen, treedt Hij binnen en gaat met ons aan tafel (vgl. Apk 3,20). Dit geheim is groot: dat deze oude woorden zich aan ons voltrekken.Ook dit is een constante van Genesis tot Apokalyps. Het gaat om een permanente actualisering omdat God steeds weer bij zijn volk wil komen. Het Woord van de Schrift wil telkens in het heden van kracht worden. “Nu is het de gunstige tijd! Vandaag is het de dag van het heil” (2Kor 6,2). Dat gebeurt niet op een magische manier met een tik van een toverstaf. Er is aandacht nodig, openheid en geloof.“Vandaag, als u zijn stem hoort, maak dan van uw hart geen steen” (Hebr 3,7).Om ons hart te openen voor dit levende Woord dat ons hart wil laten branden, kunnen wij bij de evan-gelielezing wierook en kaarsen branden, rechtop staan, halleluia zingen en Christus begroeten met de aanroeping: “Lof zij Ú, Christus”. Het is niet overdreven om te zeggen:“Persoonlijk is Christus aanwezig in zijn Woord, want Hijzelf spreekt, wanneer de heilige schriften in de kerk gelezen worden” .De waarde van de woorddienstWellicht moeten wij de werkdadige kracht van de zondagse lezingen nog meer leren erkennen. Aan de ambo komen wij in contact met de Heer. “Zo spreekt de Heer”, zegt de lector na elke lezing en wij ant-woorden terecht: “Wij danken God”. De levende God wil ons aan de tafel van het Woord even zeer voeden als aan de tafel van het Brood. Wij moeten “de heilige Schrift vereren zoals het Lichaam des Heren zelf” . In die zin mogen we bij het woord ‘communie’ niet enkel denken aan de hostie. Er bestaat niet alleen een broodcommunie, maar ook een woordcommunie. Gods Woord, dat betekent zijn Liefde, wil in ons wonen. Wij moeten het Woord assimileren als voedsel. Denken wij aan de ziener van Patmos die het boek nam en at (vgl. Apk 10,10). “Ik verslond het”, zei Jeremia, “het was mijn vreugde, het maakte me zielsgelukkig” (Jr 15,16). Een kerkvader als Origenes was heel veeleisend in de zorg voor de woorddienst: “Wees aandachtig wanneer gij de goddelijke woorden ontvangt en in uzelf bewaart. Gij weet hoeveel eerbied en zorg gij besteedt opdat bij het communiceren geen kruimel van het lichaam des Heren op de grond valt. Als het om zijn Lichaam gaat, zijt gij zo bezorgd – en terecht! Hoe zoudt gij willen dat de verwaarlozing van Gods Woord min-der straf verdient dan die van zijn Lichaam” ?God wil in de Schrift ons hart raken. Zo deed het de Verrezen Heer bij de leerlingen van Emmaüs. Te-midden van hun verwarring legde Hij hun uit wat in de Schrift op Hem betrekking had en zo gingen hun ogen open bij het breken van het brood (vgl. Lc 24,13-35). Voor de toegang tot de Schriften hebben wij bijzonder veel te danken aan de herbronning van het Tweede Vaticaanse Concilie. Bij de liturgische vernieuwing wilden de concilievaders “de weldadige en levendige smaak voor de heilige Schrift bevorderen” . In een zorgvuldig afgewogen leesrooster lieten zij ons delen in de rijkdom van de Schrift met alle belangrijke bijbelpassages. In de eucharistie op zondag horen wij nu haast 500 verschillende schriftlezingen en dat is drie maal meer dan vroeger. Om deze rijkdom door te geven, moeten de lezingen natuurlijk met veel zorg door de lector worden voorgelezen. Het is een taak waarvan wij de waarde niet mogen onderschatten.Het is wel waar dat niet alle teksten even gemakkelijk zijn, maar dat mag ons er niet toe verleiden om ze eenvoudig te schrappen. Het gaat hier allerminst om iets bijkomstig "want de Schrift niet kennen, betekent Christus niet kennen" . Om het geloof te herbronnen, moeten wij niet minder maar juist meer met Gods Woord vertrouwd raken. En vertrouwdheid betekent niet dat elk detail moet begrepen wor-den. Trouwens, het is bijzonder moeilijk om voor anderen te oordelen dat deze of gene tekst te zwaar is. Soms zijn het de eenvoudigste christenen, die zich het meest laten raken. Vergeten wij niet hoe Jezus fulmineerde tegen hen die anderen de toegang tot het Woord versperren:“Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; zelf bent u niet binnengegaan en hen, die probeerden binnen te gaan, hebt u het belet” (Lc 11,52).Om mensen te laten binnenkomen in een moeilijke schriftpassage, biedt de homilie natuurlijk een grote hulp. Een inspirerend voorbeeld om dit delicate genre te verstaan, biedt ons Jezus in de synagoge van Nazaret. In de woorddienst was uit Jesaja voorgelezen. De profeet sprak over goed nieuws voor armen, over vrijheid voor gevangenen en over licht in de ogen van blinden (vgl. Js 61,1). Daarna zegt Jezus:“Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt, in vervulling gegaan” (Lc 4,21). Deze actualisering kan oplichten in elke homilie. Zij trekt – na persoonlijke lezing, overweging en gebed – de lijn naar het heden nog verder door. Zij helpt de mensen om zich door God te laten raken in hun eigen situatie. Net zoals het brood na het grote dankgebed wordt gebroken en gedeeld, zo wordt het Woord gebroken opdat de gemeente het kan smaken en verteren. Hierbij gaat het niet om gezochte verklaringen of belerende moralisering. Neen, de homilie is een woord dat met liefde en zorg de Schriften dichter bij de hoorders brengt. Het is een veeleisend werk, want het veronderstelt dat de predikant de lezingen vooraf diep in zichzelf heeft opgenomen met ern-stige studie, met gelovige lezing, overweging en gebed. Immers:“Het is een holle predikant van Gods Woord, hij die in zijn hart niet luistert” . Een Woord van levenDat wij voor het Woord open komen in viering en verkondiging is natuurlijk essentieel voor ons geloof maar “het geloof, op zichzelf genomen, is dood als het zich niet uit in daden” (Jak 2, 17). Kijk naar Kleo-pas en zijn gezel: zodra ze de Heer hebben ontmoet in zijn Woord en in zijn Brood, staan ze meteen van tafel op om het goede nieuws aan anderen te gaan melden. Hun leven is ingrijpend veranderd en die verandering kan niet bij woorden blijven.Gods Woord wordt niet enkel voorgelezen, overwogen en beaamd. Het wil iets veranderen in het leven van wie gelooft. Het wil hoop en vreugde brengen. Hier moet de Kerk praktisch worden. Zij is immers als Gods volk een gemeenschap van vlees en bloed: een gemeenschap waar Zijn Woord geen dode let-ter blijft.Meteen raken wij een van de grote uitdagingen om Gods Woord vandaag te verstaan. Wat God te zeg-gen heeft, is een woord van liefde en intimiteit. Hij verlangt verbondenheid die de schepping vernieuwt en vervult. Maar daar valt soms bitter weinig van te merken. Het geloof wordt steeds meer teruggedre-ven in een louter spiritueel en privaat domein, weg van het echte leven. Dat is in onze westerse cultuur een algemene trend geworden, die ons als christenen meer bepaalt dan we zelf merken. Dikwijls ver-mag het geloof slechts een smal segment van het leven te doordringen. Van de hele week met zeven dagen rest – voor wat wij ‘het geloof’ noemen – slechts drie kwartier op zondag. Tijdens de zondagse eucharistie weerklinkt nog Gods Woord, maar het vraagt veel creativiteit om het in het dagdagelijkse leven te herkennen en te beleven. Het beroepsleven is al lang een aparte wereld geworden met eigen regels en wetten. Zo vergaat het ook het studentenleven, de vrije tijd, de economie, de opvoeding, de politiek en eigenlijk alle levensterreinen. Als Gods Woord echter wordt afgesneden van het leven, dreigt het uit te drogen. Het verliest dan zijn band met de wereld en zijn werking.Hoe kan Gods Woord in die moeilijke omstandigheden toch herkend worden? Juist in het bestaan van elke dag moeten wij meer verbonden blijven met God, die tot ons spreekt. Om dat Woord in het gewo-ne leven te horen, is gebed echt geen overbodige luxe. Een aantal christenen kan gelukkig steunen op het getijdengebed en op de dagelijkse Schriftlezing. Af en toe zijn er gelukkige initiatieven zoals hier in Orval om jongeren vertrouwd te maken met de Schriften. Voor de meeste gelovigen blijft echter de zondagse eucharistie zowat hun enige contactpunt met de Bijbel. Daar wordt Gods Woord gelezen, verklaard en biddend beaamd. Trouw aan de zondagse samenkomst is dus echt niet bijkomstig. “Zonder zondag kunnen wij niet leven”, zeiden de vervolgde christenen die in de vierde eeuw werden aange-klaagd omdat ze tegen het bevel van de Romeinse keizer toch deelnamen aan de eucharistie. Deze woorden bevatten een diepe waarheid. Zonder zondag, zonder het Woord en het Brood, kunnen wij geen christen blijven. Natuurlijk is de zondag dan veel meer dan enkel de eucharistie. Het gaat er om Gods Woord, dat in het concrete leven wil binnentreden. Gods Woord laat zich niet opsluiten in het kerkgebouw. Het moet “werkzaam blijven in wie gelooft” (1Tes 2,13). Het duldt niet dat wij het “horen zonder het ter harte te nemen” (Joh 12,47). Het wil “zijn luisterrijke loop volbrengen” (2Tes 3,1) in onze concrete geschiedenis. Daar is het “een licht op ons pad” (Ps 119,105).Laten wij niet vergeten hoe die liefde in de jonge Kerk de ogen geopend heeft van velen. De evangeli-sche stijl van leven maakte een grootse indruk. Temidden van een verwarde tijd bood het een alterna-tief. Het hielp zoekende mensen te verstaan wat bedoeld werd met de prediking van het evangelie. Hoe zou je dat anders aan de man brengen? Dat de Allerhoogste, “die woont in ontoegankelijk licht” (1Tim 6,16), tegelijk “liefde is” (1Joh 4,8), ja “liefde, sterker dan de dood” (vgl Hgl 8,6), zoals de leerlingen van Emmaüs hebben ervaren? Hoe zou dit wonder van geloof kunnen oplichten? Hoe anders dan door een levenswijze waardoor wij even sprekend worden als de Schriften zelf. Dan worden we w wat we moe-ten zijn:"een brief van Christus, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet gegrift op stenen tafelen maar geprent in het hart van levende mensen" (2Kor 3,3).

+ Lode Aerts


∧ top