Orval Jongeren in Gebed OJP

Inleiding zaterdag 11 augustus 2018


Blijf bij ons, Heer

De leerlingen van Emmaüs als meesters in gebed (Lc 24,13-35)

Het is wellicht geen toeval dat we slechts één naam kennen van de twee leerlingen op de weg naar Emmaüs. De ene heet Kleopas en de ander blijft tot op het einde van het verhaal anoniem. De tweede leerling kan de naam dragen van elk van ons. Dat is geen wonder, want het zijn onze ervaringen die de Emmaüsgangers hebben. Wij zijn de leerlingen van Emmaüs. Net als Kleopas en zijn gezel hebben we wel een en ander over Jezus gehoord, maar het valt ons moeilijk Hem vandaag te ontmoeten. Onze ogen lijken “niet bij machte Hem te herkennen” (Lc 24,16). Net als bij de leerlingen van Emmaüs schijnt God vandaag veraf te zijn. Jezus heeft wel grote dingen gedaan als “een profeet, machtig in woord en daad” (Lc 24,19), maar die zaken behoren volgens velen tot het verleden. In het heden mer-ken wij en onze tijdgenoten weinig van Hem. Voor de toekomst lijkt Hij wel geen rol te spelen. Zoals eens op de weg naar EmmaüsEn toch gebeurt het ook vandaag dat Jezus zich laat ervaren. Niet van buitenaf, maar in onze nabijheid. Incognito gaat Hij met ons mee, zoals op de weg naar Emmaüs. Dat we de verkeerde kant uitgaan, houdt Hem niet tegen. Dat Kleopas en zijn tochtgenoot Jeruzalem en hun medebroeders en -zusters ontvluchtten om terug te keren naar hun vroegere levensstijl, heeft Jezus niet belet om hen ongezien te vergezellen. Jezus doet dat ook met ons: Hij maakt met ons een doortocht, een passage (in Jezus’ taal: een pesach, een Pasen). Jezus gaat met ons doorheen onze twijfel en Godverlatenheid. Hij gaat met ons mee, zelfs op de vreemdste wegen. Hij beluistert onze ontgoochelingen. Hij wacht op het goede ogen-blik om ons hart te raken.Jezus doet inderdaad meer dan luisteren. Het voornaamste is dat Hij spreekt. En dat spreken doet Hij niet lukraak. Hij start ook niet bij zichzelf. Hij vertrekt bij de lange geschiedenis, waarin God zich heeft laten kennen. De hele weg van God met zijn volk maakt Hij weer actueel. Dit is het geheim van de Jood-se Bijbel: het Oude Testament of het Eerste Verbond met  ‘Mozes en de Profeten’. In dat verbond (of testamentum in het Latijn) gebeurt altijd weer hetzelfde. De Heer komt erin aanwezig, Hij trekt mee met zijn volk: doorheen het water van de Rietzee en doorheen de woestijn. Hij stap mee, vaak incogni-to, meestal in tijden van twijfel en wanhoop, van honger en dorst, van nood en zelfs van dood. Het is één lang verhaal van Gods doortocht ten leven. Jezus trekt die rode draad van de godsontmoeting door en Hij vervult ze. Dat is de ervaring geweest op de weg van Emmaüs: dat Jezus een nieuwe doortocht heeft gemaakt, doorheen de dood. Dat zijn leven en sterven gegrondvest waren in Gods liefde, die blijkbaar sterker is dan de dood. Dat Hij  als Verrezene zijn ontmoedigde leerlingen nabij blijft en met hen door hun ontgoocheling trekt, als een nieuwe passage van de dood naar het leven. Juist in die doortocht hebben de leerlingen van Emmaüs Jezus als de levende ontmoet.Het is die ontmoeting, die ook wij vandaag kunnen meemaken wanneer we hier in Orval geholpen wor-den om met de Broeders te bidden met het Oude en Nieuwe Testament. Ook met ons gaat het verbond (het testamentum) verder. Ook aan ons wil Jezus zich laten kennen. Ook vandaag gaat Hij incognito met ons mee en wil Hij voor ons “de Schrift ontsluiten” en “ons hart doen branden” (Lc 24,32). En wij zijn echt niet de enige aan wie dat wonder gebeurt.Grote voorbeeldenIn de moeilijke jaren van het nazi-regime werkte er aan de theologische faculteit van Berlijn een jonge, beloftevolle docent. Zijn naam was Dietrich Bonhoeffer. Met zijn enorme gedrevenheid liet hij zich steeds meer opmerken, niet enkel als docent, maar ook als catechist. Hij was niet alleen actief voor intellectuelen, maar ook voor eenvoudige mensen. Op de parochie werd hij gewaardeerd om zijn pre-ken. Maar toch was er iets wat hem ontbrak. Op een bepaald moment gebeurde er iets als een bekering. De theoloog werd christen. Omdat Dietrich Bonhoeffer een hekel had aan het etaleren van religieuze gevoelens, liet hij nergens weten hoe de om-mekeer precies verlopen was. Maar het beslissende weten wij wel, dank zij een brief die hij schreef aan iemand die hij goed kende. In die zeldzame confidentie bekende Bonhoeffer: “Ik stortte mij tevoren op het werk op een zeer onchristelijke wijze. Een waanzinnige eerzucht, die verschillenden aan mij gemerkt hebben, maakte mij het leven zwaar en beroofde mij van de liefde en het vertrouwen van mijn medemensen. Ik was in die tijd vreselijk eenzaam en aan mijn eigen lot overgelaten. Het was verschrikkelijk. Toen kwam iets anders, iets dat mijn leven tot nu toe veranderd en een andere richting gegeven heeft. Ik kwam voor het eerst in contact met de Bijbel. Dat valt moeilijk uit te leggen. Ik had al vaak gepreekt, ik had al veel van de kerk gezien, erover gesproken en geschreven – en toch was ik nog steeds geen christen geworden. Ik weet het, ik heb destijds uit de zaak van Jezus Christus profijt voor mezelf getrokken. Ik smeek God dat dit nooit meer mag gebeuren. Ik had ook nog nooit of maar heel wei-nig gebeden. Ik was bij al mijn verlatenheid heel tevreden over mezelf. Daaruit heeft de Bijbel me bevrijd en vooral de Bergrede. Vanaf dat moment is alles anders geworden. Dat was een geweldige bevrijding” .Dietrich Bonhoeffer houdt ons een spiegel voor. Je kunt veel doen voor het geloof. Je kunt over het evangelie spreken en schrijven. Je kunt voorgaan en preken. Maar dat kan evengoed als je van God verwijderd bent. In al zijn ijver en kennis moest Bonhoeffer toegeven: “Ik was nog steeds geen christen geworden”. De grote verandering kwam pas als hij in de Schriften Gods levend Woord ontdekte en voor het eerst leerde antwoorden in het gebed.Natuurlijk kende Bonhoeffer voordien de Schrift. Hij was theoloog van vorming en hij had over menige bijbelpassage gepreekt. Maar blijkbaar moest er nog iets anders gebeuren. De echte bevrijding uit zijn verlatenheid kwam dankzij een bijzondere ontmoeting. Bij de lezing van de Schrift is hij gaan ervaren dat God zélf zich in die tekst tot hem richtte. De Bijbel werd in zijn ogen niet enkel een woord over God, maar ook een Woord van God.Je kunt dat vergelijken met een brief van iemand die je dierbaar is. Je kan die lezen om informatie in te winnen over de ander. Maar doorheen de tekst wil de schrijver of schrijfster je hart raken en bij je bin-nenkomen. En het is die aanwezigheid waar het om gaat.Wij hebben het vaak moeilijk om ons God op die manier voor te stellen. Nogmaals: dikwijls lijkt Hij zo ver weg. Soms schijnt Hij te zwijgen. Een woord van God lijkt een zeldzaamheid in onze dagen (vgl. 1S 3,1). Zou Hij werkelijk spreken? Wij horen toch geen stemmen uit de hemel! Wij zijn nuchter en scep-tisch. En toch… De ervaring van bekeerlingen zet aan het denken. Voor hen is het geen fictie, dat de Heer zich tot mensen richt. Mensen als Dietrich Bonhoeffer hebben zijn nabijheid ervaren. Iets dergelijks overkwam ook Madeleine Delbrel, een jonge Franse atheïste met een sterk sociaal enga-gement. Zij verneemt Gods roepstem op de straat in het appèl van de armsten:“God in ons is diegene die zich, eens en voorgoed, heeft vereenzelvigd met de mens-heid. En zolang een mens iets tekort heeft, is het Christus die in nood is” .Of herinneren wij ons de ontdekking die Augustinus te beurt viel. Na zijn bekering bekent hij aan God:“Veel te laat heb ik U lief gekregen, o schoonheid zo oud, en toch zo nieuw. Veel te laat heb ik U lief gekregen.
Binnen in mij waart Gij ik was buiten, en daar zocht ik U.
Gij waart bij mij, maar ik was niet bij U.
Toen hebt Gij geroepen en geschreeuwd, en mijn doofheid doorbroken” .Om Gods stem te ontwaren in tijden van Godsverduistering moeten we kunnen aansluiten bij het ruime relaas van Gods komst onder de mensen. Daarom is de Bijbel zo belangrijk om God te ontmoeten, net als bij de leerlingen van Emmaüs. Natuurlijk gaat hierbij niet om een afstandelijke, intellectuele benade-ring. Neen, het gaat om een ontmoeting en dit vergt een openheid, net als in Emmaüs, waar Jezus bij de leerlingen binnengaat en zich in het gebroken brood laat herkennen.  Gods Woord in de liturgieGoede vieringen zijn als een voedingsbodem voor Gods Woord, dat het hart van mensen wil raken. Gods Woord raakt in de liturgie het best aan het werk. Eigenlijk zegt de term liturgie dat uit zichzelf. ‘Liturgie’ eindigt op -urgie, zoals bijvoorbeeld metallurgie, de metaalverwerking. In de liturgie gaat het om een werk (ergon) dat geschiedt aan het volk (laos) en waaraan het volk ook participeert. Dat werk heeft alles te doen met Gods Woord. Het keert niet vruchteloos naar God terug, voor het heeft bewerkt wat Hem behaagt (vgl. Js 55,11).Gods Woord doet het best zijn werk in een liturgische gemeenschap. Daar moet je het laten weerklin-ken. Je moet het overwegen in de stilte. Je moet het beamen in gezangen. Je moet het je eigen maken in gebaren. Je moet je door de ritus laten vernieuwen en herscheppen. Wil je de diepste bedoeling van de Bijbel begrijpen, dan moet je niet alleen catechese volgen. Om de Schriften te verstaan, moet je ze meemaken in de praktijk en dat gebeurt op een uitzonderlijke wijze in de liturgie. Daar is de Schrift als een vis in het water. Ze vindt er niet alleen een verklaring, maar wordt er levende realiteit.Het pesach van Gods WoordDit alles gebeurt het sterkst in de voornaamste viering van het jaar, waarin Gods komst telkens weer werkelijkheid wordt. Laten we een blik werpen op de paaswake. In die nacht trekt een stoet van lezin-gen aan ons voorbij en wij worden uitgenodigd om van harte mee te gaan. Gods Woord, dat zo kracht-dadig was dat alles erdoor ontstond, voltrekt in de paasnacht opnieuw zijn scheppend werk. Daar weer-klinkt het relaas van de uittocht uit Egypte waaraan wij mogen deel hebben. Wij horen over de terug-keer uit de ballingschap en wij krijgen met Israël een nieuw hart en een nieuwe geest. Paulus spreekt ons over de doop waarin wij een nieuw leven leiden. Als het evangelie weerklinkt van Christus’ verrijze-nis, gaat het uiteindelijk om ons aller opstanding. Nooit vertelt de Kerk zoveel verhalen als in deze nacht. Maar in alle teksten gaat het om de ene ge-schiedenis van Gods volk: uit de duisternis geroepen tot het licht van Pasen; uit de verstrooiing bijeen-gebracht door de ontmoeting met de levende Heer. En telkens durft de Kerk beweren dat dit alles in diezelfde nacht geschiedt. Doorheen de lezing van de Schriften wordt geproclameerd: “Deze nacht van Pasen is de nacht van uittocht en opstanding. Dit water van de doop is het water waardoor onze voor-vaderen uit de macht van Egypte werden gered. Dit is hetzelfde water waarover in den beginne de Geest zweefde toen de schepping aan de chaos werd ontrukt. Dit is het water waarin de doopleerlingen worden ondergedompeld en waarmee wij onze beloften hernieuwen om te leven in Gods verbond. Dit brood op het altaar is hetzelfde brood waarover Jezus sprak: ‘Neem en eet. Dit is Mijn lichaam’ (Mt 26,26). Dit is hetzelfde brood waarin Kleopas en zijn metgezel de Verrezene hebben ontmoet (Lc 24,30).”Deze bijbelse teksten bieden ontzaglijk veel meer dan een herinnering aan oude gebeurtenissen. Ze roepen het verleden in het heden binnen en laten het werkelijkheid worden voor wie er met een open hart naar luistert. Daarom worden de lezingen tijdens de paaswake ook beaamd door een psalm en een gebed. Zo houden we het niet bij afstandelijk lezen, maar gaan we ook overwegen en bidden. Die dia-loog tussen God en mens maakt het hart uit van de Schrift en wordt ons aller deel door het heilige spel der liturgie.De dag des HerenOok in elke zondagse viering wordt dit realiteit. Op de dag des Heren delen wij in Christus’ overgang van dood naar leven. Wij worden weggeroepen uit duisternis en dood. De Geest komt in ons hart wonen om ons te verzamelen tot Gods volk. Eens zijn Woord ons hart heeft doen branden, gaan we zoals de leerlingen van Emmaüs vragen: “Blijf bij ons” (Lc 24,29). Ook vandaag staat Hij voor de deur en klopt. Als wij zijn stem horen en de deur openen, treedt Hij binnen en gaat met ons aan tafel (vgl. Apk 3,20). Dit geheim is groot: dat deze oude woorden zich aan ons voltrekken.Ook dit is een constante van Genesis tot Apokalyps. Het gaat om een permanente actualisering omdat God steeds weer bij zijn volk wil komen. Het Woord van de Schrift wil telkens in het heden van kracht worden. “Nu is het de gunstige tijd! Vandaag is het de dag van het heil” (2Kor 6,2). Dat gebeurt niet op een magische manier met een tik van een toverstaf. Er is aandacht nodig, openheid en geloof.“Vandaag, als u zijn stem hoort, maak dan van uw hart geen steen” (Hebr 3,7).Om ons hart te openen voor dit levende Woord dat ons hart wil laten branden, kunnen wij bij de evan-gelielezing wierook en kaarsen branden, rechtop staan, halleluia zingen en Christus begroeten met de aanroeping: “Lof zij Ú, Christus”. Het is niet overdreven om te zeggen:“Persoonlijk is Christus aanwezig in zijn Woord, want Hijzelf spreekt, wanneer de heilige schriften in de kerk gelezen worden” .De waarde van de woorddienstWellicht moeten wij de werkdadige kracht van de zondagse lezingen nog meer leren erkennen. Aan de ambo komen wij in contact met de Heer. “Zo spreekt de Heer”, zegt de lector na elke lezing en wij ant-woorden terecht: “Wij danken God”. De levende God wil ons aan de tafel van het Woord even zeer voeden als aan de tafel van het Brood. Wij moeten “de heilige Schrift vereren zoals het Lichaam des Heren zelf” . In die zin mogen we bij het woord ‘communie’ niet enkel denken aan de hostie. Er bestaat niet alleen een broodcommunie, maar ook een woordcommunie. Gods Woord, dat betekent zijn Liefde, wil in ons wonen. Wij moeten het Woord assimileren als voedsel. Denken wij aan de ziener van Patmos die het boek nam en at (vgl. Apk 10,10). “Ik verslond het”, zei Jeremia, “het was mijn vreugde, het maakte me zielsgelukkig” (Jr 15,16). Een kerkvader als Origenes was heel veeleisend in de zorg voor de woorddienst: “Wees aandachtig wanneer gij de goddelijke woorden ontvangt en in uzelf bewaart. Gij weet hoeveel eerbied en zorg gij besteedt opdat bij het communiceren geen kruimel van het lichaam des Heren op de grond valt. Als het om zijn Lichaam gaat, zijt gij zo bezorgd – en terecht! Hoe zoudt gij willen dat de verwaarlozing van Gods Woord min-der straf verdient dan die van zijn Lichaam” ?God wil in de Schrift ons hart raken. Zo deed het de Verrezen Heer bij de leerlingen van Emmaüs. Te-midden van hun verwarring legde Hij hun uit wat in de Schrift op Hem betrekking had en zo gingen hun ogen open bij het breken van het brood (vgl. Lc 24,13-35). Voor de toegang tot de Schriften hebben wij bijzonder veel te danken aan de herbronning van het Tweede Vaticaanse Concilie. Bij de liturgische vernieuwing wilden de concilievaders “de weldadige en levendige smaak voor de heilige Schrift bevorderen” . In een zorgvuldig afgewogen leesrooster lieten zij ons delen in de rijkdom van de Schrift met alle belangrijke bijbelpassages. In de eucharistie op zondag horen wij nu haast 500 verschillende schriftlezingen en dat is drie maal meer dan vroeger. Om deze rijkdom door te geven, moeten de lezingen natuurlijk met veel zorg door de lector worden voorgelezen. Het is een taak waarvan wij de waarde niet mogen onderschatten.Het is wel waar dat niet alle teksten even gemakkelijk zijn, maar dat mag ons er niet toe verleiden om ze eenvoudig te schrappen. Het gaat hier allerminst om iets bijkomstig "want de Schrift niet kennen, betekent Christus niet kennen" . Om het geloof te herbronnen, moeten wij niet minder maar juist meer met Gods Woord vertrouwd raken. En vertrouwdheid betekent niet dat elk detail moet begrepen wor-den. Trouwens, het is bijzonder moeilijk om voor anderen te oordelen dat deze of gene tekst te zwaar is. Soms zijn het de eenvoudigste christenen, die zich het meest laten raken. Vergeten wij niet hoe Jezus fulmineerde tegen hen die anderen de toegang tot het Woord versperren:“Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; zelf bent u niet binnengegaan en hen, die probeerden binnen te gaan, hebt u het belet” (Lc 11,52).Om mensen te laten binnenkomen in een moeilijke schriftpassage, biedt de homilie natuurlijk een grote hulp. Een inspirerend voorbeeld om dit delicate genre te verstaan, biedt ons Jezus in de synagoge van Nazaret. In de woorddienst was uit Jesaja voorgelezen. De profeet sprak over goed nieuws voor armen, over vrijheid voor gevangenen en over licht in de ogen van blinden (vgl. Js 61,1). Daarna zegt Jezus:“Vandaag is het schriftwoord dat u gehoord hebt, in vervulling gegaan” (Lc 4,21). Deze actualisering kan oplichten in elke homilie. Zij trekt – na persoonlijke lezing, overweging en gebed – de lijn naar het heden nog verder door. Zij helpt de mensen om zich door God te laten raken in hun eigen situatie. Net zoals het brood na het grote dankgebed wordt gebroken en gedeeld, zo wordt het Woord gebroken opdat de gemeente het kan smaken en verteren. Hierbij gaat het niet om gezochte verklaringen of belerende moralisering. Neen, de homilie is een woord dat met liefde en zorg de Schriften dichter bij de hoorders brengt. Het is een veeleisend werk, want het veronderstelt dat de predikant de lezingen vooraf diep in zichzelf heeft opgenomen met ern-stige studie, met gelovige lezing, overweging en gebed. Immers:“Het is een holle predikant van Gods Woord, hij die in zijn hart niet luistert” . Een Woord van levenDat wij voor het Woord open komen in viering en verkondiging is natuurlijk essentieel voor ons geloof maar “het geloof, op zichzelf genomen, is dood als het zich niet uit in daden” (Jak 2, 17). Kijk naar Kleo-pas en zijn gezel: zodra ze de Heer hebben ontmoet in zijn Woord en in zijn Brood, staan ze meteen van tafel op om het goede nieuws aan anderen te gaan melden. Hun leven is ingrijpend veranderd en die verandering kan niet bij woorden blijven.Gods Woord wordt niet enkel voorgelezen, overwogen en beaamd. Het wil iets veranderen in het leven van wie gelooft. Het wil hoop en vreugde brengen. Hier moet de Kerk praktisch worden. Zij is immers als Gods volk een gemeenschap van vlees en bloed: een gemeenschap waar Zijn Woord geen dode let-ter blijft.Meteen raken wij een van de grote uitdagingen om Gods Woord vandaag te verstaan. Wat God te zeg-gen heeft, is een woord van liefde en intimiteit. Hij verlangt verbondenheid die de schepping vernieuwt en vervult. Maar daar valt soms bitter weinig van te merken. Het geloof wordt steeds meer teruggedre-ven in een louter spiritueel en privaat domein, weg van het echte leven. Dat is in onze westerse cultuur een algemene trend geworden, die ons als christenen meer bepaalt dan we zelf merken. Dikwijls ver-mag het geloof slechts een smal segment van het leven te doordringen. Van de hele week met zeven dagen rest – voor wat wij ‘het geloof’ noemen – slechts drie kwartier op zondag. Tijdens de zondagse eucharistie weerklinkt nog Gods Woord, maar het vraagt veel creativiteit om het in het dagdagelijkse leven te herkennen en te beleven. Het beroepsleven is al lang een aparte wereld geworden met eigen regels en wetten. Zo vergaat het ook het studentenleven, de vrije tijd, de economie, de opvoeding, de politiek en eigenlijk alle levensterreinen. Als Gods Woord echter wordt afgesneden van het leven, dreigt het uit te drogen. Het verliest dan zijn band met de wereld en zijn werking.Hoe kan Gods Woord in die moeilijke omstandigheden toch herkend worden? Juist in het bestaan van elke dag moeten wij meer verbonden blijven met God, die tot ons spreekt. Om dat Woord in het gewo-ne leven te horen, is gebed echt geen overbodige luxe. Een aantal christenen kan gelukkig steunen op het getijdengebed en op de dagelijkse Schriftlezing. Af en toe zijn er gelukkige initiatieven zoals hier in Orval om jongeren vertrouwd te maken met de Schriften. Voor de meeste gelovigen blijft echter de zondagse eucharistie zowat hun enige contactpunt met de Bijbel. Daar wordt Gods Woord gelezen, verklaard en biddend beaamd. Trouw aan de zondagse samenkomst is dus echt niet bijkomstig. “Zonder zondag kunnen wij niet leven”, zeiden de vervolgde christenen die in de vierde eeuw werden aange-klaagd omdat ze tegen het bevel van de Romeinse keizer toch deelnamen aan de eucharistie. Deze woorden bevatten een diepe waarheid. Zonder zondag, zonder het Woord en het Brood, kunnen wij geen christen blijven. Natuurlijk is de zondag dan veel meer dan enkel de eucharistie. Het gaat er om Gods Woord, dat in het concrete leven wil binnentreden. Gods Woord laat zich niet opsluiten in het kerkgebouw. Het moet “werkzaam blijven in wie gelooft” (1Tes 2,13). Het duldt niet dat wij het “horen zonder het ter harte te nemen” (Joh 12,47). Het wil “zijn luisterrijke loop volbrengen” (2Tes 3,1) in onze concrete geschiedenis. Daar is het “een licht op ons pad” (Ps 119,105).Laten wij niet vergeten hoe die liefde in de jonge Kerk de ogen geopend heeft van velen. De evangeli-sche stijl van leven maakte een grootse indruk. Temidden van een verwarde tijd bood het een alterna-tief. Het hielp zoekende mensen te verstaan wat bedoeld werd met de prediking van het evangelie. Hoe zou je dat anders aan de man brengen? Dat de Allerhoogste, “die woont in ontoegankelijk licht” (1Tim 6,16), tegelijk “liefde is” (1Joh 4,8), ja “liefde, sterker dan de dood” (vgl Hgl 8,6), zoals de leerlingen van Emmaüs hebben ervaren? Hoe zou dit wonder van geloof kunnen oplichten? Hoe anders dan door een levenswijze waardoor wij even sprekend worden als de Schriften zelf. Dan worden we w wat we moe-ten zijn:"een brief van Christus, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet gegrift op stenen tafelen maar geprent in het hart van levende mensen" (2Kor 3,3).

+ Lode Aerts


∧ top