Het museum is in meer dan één opzicht origineel te noemen. Eerst en vooral is het heel bijzonder gelegen, namelijk in de gewelfde kelders uit de achttiende eeuw. Zo belandt de bezoeker meteen tussen de enige resten van de neoclassicistische gebouwen die werden opgetrokken op basis van de plannen van architect Laurent-Benoît Dewez en die als fundering dienden bij de heropbouw van Orval in het begin van de twintigste eeuw.
Histoire, sidérurgie, art sacré
De collecties van het museum van Orval werden samengebracht voor de tentoonstelling rond de negenhonderdste verjaardag in 1970. De eerste monniken streken er inderdaad al in 1070 neer. De collecties zijn ingedeeld in drie secties : architectuur, ijzer- en staalbewerking en religieuze kloosterkunst.


Aan de hand van de tentoongestelde werken maakt de bezoeker kennis met een aantal spilfiguren : broeder Abraham Gilson en zijn doeken uit de achttiende eeuw, broeder Antoine Perrin en zijn bundel klinische waarnemingen, en tot slot Dom Marie Albert Van der Cruyssen, de abt die Orval heropbouwde.
Abraham bijgebouwen
Apotheekmuseum
Naast de tuin van de geneeskrachtige planten, werd in een gebouw de apothekerswerkplaats ingericht zoals in de achttiende eeuw, ten tijde van broeder Antoine Perrin, apotheker. Orval stond bekend om zijn helende drankjes, zoals het wondwater. De collectie toont een reeks voorwerpen die te pas kwamen bij de bereiding van de geneesmiddelen : stamper, pillenvormer, een versierde weegschaal met afbeeldingen, maar ook voor de verzorging, zoals een bloedzuigerspuit. Een mooie set van keramieken kommen diende voor de bewaring van de kruiden.
Openingsuren toegang tot de ruïnes, museum en de winkel :
Inkomprijs :
Â
Abbaye d'Orval
B-6823 Villers-devant-Orval
Tél [32] 61.31.10.60 Fax [32] 61.32.51.46
Biografie
Jean-Louis Gilson werd in 1741 in Habay-la-Vieille geboren. Hij woonde als heremiet in "Bizeux", op het grondgebied van Marbehan (vandaag de gemeente Habay), eerst in het gezelschap van zijn jonge broer, en later ook van hun zieke vader. Rond zijn dertigste, wellicht in 1771, trekt hij naar Orval, waar hij in 1772 intreedt als lekenbroeder onder de naam broeder Abraham. Met de hulp van zijn broer, Jean-Henri, alias broeder Jérôme en ook monnik, wijdt hij er zijn hele bestaan aan de schilderkunst.
Eind de achttiende eeuw gaat het er bedrijvig aan toe in de abdij. Ze is welvarend en bouwt volop. Zo komt er een nieuwe abdij onder de leiding van architect Dewez. Alvorens hij zijn talent gaat wijden aan de opsmuk van de kloosterzalen en van de abdijkerk, voert broeder Abraham bestellingen voor de omliggende kerken uit. Maar tussen 1780 en 1793 werkt hij samen met zijn leerlingen en leerjongens bijna uitsluitend aan de uitvoering van een reusachtig werk in Orval. Dat gaat echter niet lang mee, want in 1793 geeft generaal Loison bevel om alles te vernietigen. De hele gemeenschap vlucht dan naar Luxemburg tussen 1793 en 1795. Broeder Abraham oefent er verder zijn activiteiten uit in het schuiloord van de monniken en in privé-woningen. Na de ontbinding van de gemeenschap in Conques, in 1796, trekt hij zich terug in Villers-devant-Orval. Daarna vestigt hij zich definitief in Florenville waar hij nog meer leerlingen zal opleiden, onder wie Jean-Antoine Ramboux, de toekomstige conservator van het Keulse Wallraf-Richartz museum. Daar overlijdt hij ook in 1809.
Broeder Abraham leefde in afzondering en had nooit het geluk om het atelier van een meester te bezoeken of om zich op zijn minst duurzaam te warmen aan de uitstraling van een opmerkelijke kunststad. Hij werd uitgestuurd naar de Antwerpse Academie om zijn opleiding te vervolmaken en behaalde in 1777 een diploma tekenen aan de Academie van Düsseldorf. Maar zijn inspiratie putte hij allicht uit een wel erg kostbare bron, namelijk de rijke collectie prenten en tekeningen van de abdij van Orval. Deze louter lineaire en monochrome iconografische bron wordt omgezet in vrij ongelijk schilderwerk, waarin de volumes en de kleuren soms heel summier benut worden. Maar zijn artistiek en lyrisch elan is overduidelijk, en broeder Abraham koesterde wellicht de ambitie om een groot schilder te worden, zoals blijkt uit de complexiteit van enkele composities van zijn hand.
De boekjes van broeder Abraham.
De boekjes waarin broeder Abraham schetsen maakte en zijn bestellingen noteerde, leveren ons één van de kostbaarste bronnen over het werk van de schilder van Orval. De abdij van Orval is nog in het bezit van deze 'dagboeken' (livres de raison). Naast algemene schetsen, anatomische details, technische notities (afmetingen, vormen, enz.), licht broeder Abraham ook vaak het tafereel toe dat hij zal afbeelden. Hij noteerde de data, de bestemming of de beschrijvingen van talloze profane of religieuze schilderijen die particulieren of parochies bij hem bestelden. De werken van de schilder zijn nooit getekend en daarom is deze bron een onvervangbaar instrument om een statistiek van het werk van broeder Abraham op te maken, die zou kunnen uitmonden in een beredeneerde catalogus en vaststaande toewijzingen.
Een anekdote… deze boekjes kunnen de basis vormen voor een denkoefening rond het lot van het religieus erfgoed en van bepaalde werken in het bijzonder, die vroeger in de kerken bewaard werden, maar die nu - soms sinds kort - verdwenen zijn.
De catalogus

Broeder Abraham Monnik-schilder van Orval, 1741 - 1809 Religieuze ferventie en pathos
Coauteurs : Bénédicte Pétrement en Jean-Marie Yante.
Voorwoord van E.H. Lode, abt van Orval
Uitgever: Gaumemuseum, Virton
Verschijningsdatum : juni 2009 172 pagina's. Vierkleurendruk
Formaat: 23x30 cm Verkoopprijs: 40 €