|
| Opkomst en verval |
|
|
|
Was de 17de eeuw voor de Lage Landen een ongelukseeuw, voor de abdij van Orval betekende ze een hoogtepunt in haar ontwikkeling. Ze bracht twee abten voort die voor heel de orde van betekenis zouden zijn. In 1605 slaagde Bernard de Montgaillard, die uit het zuiden afkomstig was, erin zich ondanks de weerstand van de gemeenschap, door de aartshertogen Albrecht en Isabella tot abt te doen aanstellen. Hij gaf zich van dan af volledig aan zijn monniken, die van de weeromstuit sterk aan hem gehecht raakten. Hij bracht de economische situatie van het klooster weer in evenwicht en liet de gebouwen restaureren. Zijn voornaamste verdienste lag echter op het vlak van het gemeenschapsleven en hierin was hij zijn tijd vooruit. Hij hervormde de constituties en zorgde voor een nieuw elan. Tal van kandidaten meldden zich. In 1619 telde de gemeenschap 43 leden : 27 monniken die de eeuwige geloften hadden afgelegd, 8 broeders en 8 novicen. Kort na de ambtsperiode van Bernard de Montgaillard werd de abdij door een nieuwe ramp getroffen. In augustus 1637, in het heetst van de Dertigjarige Oorlog, plunderden troepen van maarschalk de Châtillon het klooster en staken het in brand. Het ging, bijgebouwen incluis, helemaal in de vlammen op. Aan de wederopbouw zou tot aan het einde van de eeuw in een klimaat van onveiligheid en onzekerheid gewerkt worden. Van 1668 tot 1707 stond een andere grote abt aan het hoofd van de abdij Charles de Bentzeradt, een Luxemburger (hij was afkomstig van Echternach). Deze gestrenge man ontpopte zich tot een gedreven hervormer. Naar het voorbeeld van wat abt de Rancé in de abdij van La Trappe in Normandië had gerealiseerd, voerde hij in zijn eigen klooster de "strikte observantie" in. Weer kwamen talrijke novicen de gemeenschap vervoegen. Daardoor kon de Bentzeradt in 1701 de abdij van Düsselthal stichten en het huis van Conques-sur-Semois tot priorij verheffen. Na zijn dood werd de met uitsterven bedreigde abdij van Beaupré in Lotharingen door monniken van Orval van jong bloed voorzien en hervormd. In 1723 telde de gemeenschap 130 leden en was daarmee "de talrijkste van het hele keizerrijk". Spijtig genoeg zou ook in Orval het jansenisme zijn tol eisen. In 1725 brak de crisis uit : een groep monniken was de stroming genegen en vijftien van hen verlieten het klooster om in de buurt van Utrecht het huis Rhijnwijk te stichten. |
||