Bijbelse inleiding OJP 2026
Hoe luidt je naam?
"Wat doe je hier?" Onmiskenbaar een belangrijke vraag. In de Bijbeltekst die jullie zonet in stilte overwogen, krijgt de profeet Elia die vraag tot twee keer toe te horen. Aan het begin van ons verblijf hier in de abdij van Orval, weergalmt de vraag ook in de klankkast van ons eigen hart: Wat doe ik hier eigenlijk?
Een trouwe OJP-deelnemer zei me ooit: "Ik kom hier in Orval jaarlijks een week aan het infuus liggen. Dan kan ik er thuis – in de hectiek van elke dag - weer tegen." En een man die hier voor het eerst kwam en een gebedsdienst bijwoonde, zei me: "Wat is dat met mij? Een handvol mannen in lange slaapkleden die iets doen waarvan ik niet zou weten wat het precies inhoudt, namelijk bidden, in een taal die ik niet versta – ik kan zo goed als geen Frans, maar ook de religieuze taal op zich is mij vreemd (God? Heer van de Hemelse machten? Heilige Geest? Verrijzenis…?), en in een kerk, een woord dat mij – door de misbruik-schandalen binnen het instituut – jarenlang met argwaan en zelfs met weerzin heeft vervuld… en toch ben ik tot tranen toe ontroerd."
Waar komt die ontroering vandaan? Welk medicijn krijgt een mens hier in Orval 'toegediend' dat zo helend werkt? In de overweging van zonet lees ik over een 'cocktail' van stilte en schoonheid, openheid en eerlijkheid, verlangen en hoop, luisteren en ontmoeten, in alle eenvoud en in al onze broosheid. In Orval wordt aan hartenzorg gedaan: er wordt tijd en ruimte gegeven – een veilig kader – om ons hart te openen en te onderzoeken, om gehoor te geven aan de wijze raad in het Bijbelboek Spreuken: "Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven." (Spr 4, 23).
Waar die ontroering vandaan komt? Wie de broeders kent, weet dat zij van zichzelf weg zullen wijzen in de richting van God: "Bij U is de bron van het leven", bidt de psalmist (Ps 36, 10). God is de bron van de ontroering en de helende herbronning die we ervaren. Je ziet het gebeuren in de allereerste zin waarmee frère Xavier ons in het schriftje verwelkomt: hij vermeldt niet eerst de broedergemeenschap, ook niet de natuur en cultuur in de omgeving, maar hij nodigt ons uit "voor het prachtige avontuur van de ontmoeting met de Heer". En in de verkennende vragen bij het verhaal van Elia wordt op die ontmoeting met God ingezet: we worden uitgenodigd ons hart te openen voor de Heer, wat in ons hart leeft aan Hem voor te leggen en het stil te maken in ons hart opdat we de zachte bries van Zijn gefluister zouden horen. God is het die ons heelt. "Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden", bidden we vlak voor het ontvangen van de communie.
God. Een ontmoeting met God. We zitten in die heel eigen, spirituele, religieuze taal. Journalist en tv-maker Annemie Struyf schrijft in haar recentste boek In hemelsnaam, een boek over de zusters van Brecht: Zusters trappistinnen "geloven dat er meer is tussen hemel en aarde", "Je kunt daar neerbuigend of meewarig over doen, totdat je op een dag met je rug tegen de muur komt te staan. Dan wordt een kind geboren of sterft een mens, en sta je met open mond tegenover een mysterie. Wij weten er geen weg mee. Maar het verlangen, ja, het verlangen blijft." (p.218) - "Ja," beaamt zuster Katharina, abdis van het klooster, "in elke mens leeft een onstilbaar verlangen. Vanuit dat verlangen blijft de mens zoeken en hunkeren, en komt hij uiteindelijk voor een mysterie te staan. Wij, trappistinnen, geven dat mysterie een naam: God. Wij maken deel uit van een grotere Liefde. Wij zijn ingebed in een geschiedenis van Liefde. Voor die Liefde willen wij leven en sterven."
Om ons te helpen met dat mysterie – en ons onstilbare verlangen – op weg te gaan, organiseren de broeders trappisten OJP, Orval Jeunes en Prière, dit jaar voor de 20ste keer. Dat mysterie openbaart zich namelijk niet alleen aan ons bij geboorte of overlijden, maar is ons hele leven aanwezig en werkzaam.
Ik moet hierbij denken aan woorden van Karl Rahner, Duits theoloog, priester en pater-jezuïet. Rahner spreekt van "doordeweekse mystiek". Het mysterie dat ons te midden van ons doordeweekse, dagelijkse (bezig)zijn overvalt, raakt, ontroert, omgeeft, omarmt, bevraagt… Toen een journalist in een radio-interview aan Rahner zei dat hij nog nooit een godservaring had gehad, had Rahner zijn antwoord meteen klaar. “Ik geloof u niet. Ik kan het hier gewoon niet mee eens zijn. Het kan best zijn dat u nooit een godservaring gehad heeft die u als dusdanig benoemd heeft. Maar u heeft zeker ooit, mogelijks zelfs nu, een godservaring gehad. Ik ben er trouwens van overtuigd dat dit geldt voor elke mens. Er zijn heel wat dingen die moeilijk zijn om uit te drukken of om over na te denken: liefde, trouw, diep verlangen, echte verantwoordelijkheid … Als we erover willen spreken, beginnen we vaak te stamelen. We vinden dat onze woorden vreemd klinken, ontoereikend zijn, maar voorlopig. Maar dit wil helemaal niet zeggen dat je geen ervaringen van trouw, verantwoordelijkheid, vreugde, waarheid, liefde … hebt gehad. Met de godservaring is het niet anders.” (geciteerd naar nikolaassintobin.blogspot.com).
De ervaringen die Rahner aanhaalt, zijn niet toevallig met elkaar verweven: liefde, trouw, verantwoordelijkheid, vreugde, waarheid… God. Als Annemie Struyf haar ongeloof uitdrukt, steekt zuster Caritas van wal: "Heb je Hem dan echt nog nooit gevoeld, Annemie? In je werk, je gezin, in Afghanistan of in Afrika? Voelde je nog nooit, diep vanbinnen, dat je niet alleen bent? Wij zijn 'bewoonde' mensen. Bezielde lichamen. (…) God voelen is het mooiste wat er is. Ik zal voor jou bidden. Opdat je rust vindt." (p.82-83) "Ik zal voor jou bidden," zegt de zuster. "Ik wil samen met jou bidden", zeggen de broeders in Orval. OJP, broeders en jongeren in gebed. Samen bidden. Met heel ons wezen, zegt het thema van dit jaar. In deze eerste 'conferentie' verken ik dit thema vanuit een verhaal uit het allereerste boek van de Bijbel, het boek Genesis, hoofdstuk 32.
23Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf zonen. 24Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant. 25Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak.
Het verhaal gaat over Jakob. Hij trekt rond, met zijn hebben en houden. Hij is een nomade met twee vrouwen, twee bijvrouwen en elf zonen. Het is duidelijk dat hij in een heel andere tijd en cultuur thuishoort dan de onze. We zouden het verhaal om die reden aan de kant kunnen leggen en zeggen: dat is een verhaal uit een stoffig verleden, dat heeft niets met mij/ons te maken. Maar we kunnen het ook anders zien. Het is net heel erg waar dat iedere mens zijn/haar eigen, specifieke context heeft. Ook wij zijn hier samen met elk ons eigen unieke levensverhaal. Maar het is net tegen de achtergrond van die verscheidenheid dat ook onze fundamentele verbondenheid oplicht én dat het ons aangrijpt wanneer we dan onverwacht 'moeten' erkennen: wat die ander ervaart of vertelt, gaat ten diepste (ook) over mij… Dat herkenbare, veel meer nog dan het nieuwe, doet deugd. We zijn inderdaad niet alleen.
Ook Jakob is 'een van ons'. Zo gaat ook voor hem op wat Rahner tegen de journalist zei: dat we vaak God ervaren zonder het te beseffen of zo te benoemen. Enkele hoofdstukken eerder zegt Jakob: "Dit is zeker, op deze plaats is de HEER aanwezig. Dat besefte ik niet." (Gn 28, 16) Jakobs ogen openen zich voor het mysterie op zijn weg. Kan zijn ervaring ons tot gids zijn?
Het is nacht. Jakob blijft alleen achter en worstelt met iemand. Vreemde situatie. Waarom alleen achterblijven, midden in de nacht? Diepe ervaringen zijn moeilijk onder woorden te brengen zijn, hoorden we bij Rahner. Om er toch over te vertellen, grijpen we vaak naar beeldtaal. We vergelijken met een concreet, 'uiterlijk' waarneembaar beeld. (Cf. 'een vriend als rots in de branding'). Dat grijpen naar beeldtaal gebeurt ongetwijfeld ook hier. Het is duister in Jakob zelf. Hij voert een innerlijke strijd, iets waar we ons ongetwijfeld allemaal iets kunnen bij voorstellen. Storm in het hart. Een strijd op zielsniveau.
De ervaring die Jakob als 'goddelijk' heeft benoemd, werkt duidelijk na in zijn ziel. "De ziel is de levende, heilige kern, de pit van ons bestaan, zonder dat we haar in letterlijke zin kunnen lokaliseren", schrijft Maria Van Mierlo in haar boek Kloosterwijsheid vandaag. Gids voor een eenvoudig leven. "De ziel is onze directe verbinding met en aansluiting op Wijsheid, Liefde, Zijn." Op God. "Het is ons ware zelf." (p.41-42) Het ware zelf is 'van goddelijke aard', zegt Van Mierlo, en de roep die daarvan uitgaat, kan serieus botsen met ons ego, de ik-identiteit die we opbouwen naar onszelf en naar de samenleving toe. Kan het zijn dat Jakob met zichzelf in de knoop ligt?
Zuster Katharina gebruikt voor die worsteling graag het beeld van de zandloper. Als je in het klooster intreedt, moet je door dat smalle gaatje. "Het is de ultieme confrontatie met jezelf", zegt ze. Uit handen geven wat in de maatschappij belangrijk is en waarmee we ons 'ego' opbouwen: een diploma, een job, een gezin, aanzien, bezit, macht… "Bij een novice moeten vroeg of laat alle maskers afvallen, totdat ze in haar nietigheid voor God kan staan." – Of de grens met zelfvernedering niet dichtbij ligt, vraagt Struyf. "Nee," zegt Katharina. Het gaat niet over vernedering. "Het gaat over authenticiteit." (p.85) Meer jezelf worden, dichter bij je ware zelf komen. Uitpuren, vereenvoudigen, om dan met meer (adem)ruimte, opener, voller te leven. Snoeien om te bloeien. Het is ons leven 'verliezen', om het te 'behouden', klinkt het in de evangelies. We zijn als die Russische baboesjka-beeldjes: de lagen waarmee we onszelf bekleden, moeten we afleggen om tot de kern te komen, de kern die 'heel' is, uit één stuk, integer, die 'heilig' is, een woord dat niet toevallig etymologisch verwant is met het woord 'heel'.
Het beeld van de zandloper kan helpen te ontdekken wat gebed is: gebed voert ons binnen in dat smalle gaatje, waar maskers afvallen, waar we verbinding maken ons ware zelf en met God, om authentieker te kunnen leven, radicaler op onze eigen manier. Radicaal van 'radix', wortel. Het gaat inderdaad niet om 'vernedering', maar om 'nederigheid', 'humility', van humus, aarde/grond, geworteld zijn in ons ware zelf en in de liefde.
26Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. 27Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ 28De ander vroeg: ‘Hoe luidt je naam?’ ‘Jakob,’ antwoordde hij. 29Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’
Er gebeurt veel in deze verzen. Laten we beginnen bij het einde: Jakob heeft met God en mensen gestreden, horen we. Die woorden bevestigen wat zonet al klonk: tot onze kern en de bron van het leven doordringen, brengt een innerlijke strijd mee met mensen – ons ego en de verwachtingen/vragen van anderen, van de samenleving – en met de goddelijke roep van de liefde, dat zachte gefluister van Gods bries dat onze ware zelf aanspreekt.
Die strijd is niet negatief. Jakob krijgt te horen dat hij gewonnen heeft. Als we in alle oprechtheid de dynamiek van de zandloper durven binnen te stappen en in diepe verbondenheid op weg gaan, hebben we alleen maar te winnen. Wijzelf en de hele wereld. "Ik geloof rotsvast dat het Goede altijd verder straalt", zegt zuster Geertrui in het boek van Struyf. Ze stelt vast "dat de mensen vaak veel te eng leven, met een te klein hart. We moeten groter en ruimer durven te leven." (p.114). Gebed helpt ons, ons hart te verruimen.
Als Jakob wint, verliest de ander. De ander is tweeledig, weten we: mens en God. In de strijd met mensen is de verliezer Jakobs ego. Onze ware zelf, onze ziel, is sterker. "Het is goed mogelijk om eraan voorbij te leven," zegt Maria Van Mierlo, "maar de ziel zal altijd om aandacht blijven vragen. Omdat ze nu eenmaal leeft en levend is, veroorzaakt ze een soort bewegen in jou." We kennen in het Nederlands de uitdrukking 'jezelf tegenkomen'. We zullen onszelf altijd tegenkomen, we kunnen niet van onszelf weglopen, en ook niet van God.
In de strijd met God, is de verliezer God. Als we denken aan een almachtige God, klinkt dat maar vreemd. Maar als God – het mysterie en de bron van het leven – liefde is, dan kan Hij/Zij niet dwingen. Liefde impliceert vrijheid. Wie voor de kerk trouwen (cf. Nele en Lode) krijgen de vraag: zijn jullie uit vrije wil en met de volle instemming van je hart naar hier gekomen? De liefde is almachtig. Niet aan het kwaad, maar aan haar, de liefde, is het laatste woord. Dat vieren we met Pasen: het verhaal van Jezus van Nazareth eindigt niet met de vreselijke kruisdood, maar met de verrijzenis: de Liefde die ons de hand reikt en ons doet opstaan, ook uit de afgrond van de dood. Ja, de liefde is almachtig. Maar ze is in zekere zin ook weerloos. Ze kan zich geduldig, hoopvol aanbieden, maar wij kunnen 'neen' zeggen. Het is mogelijk om eraan voorbij te leven, hoorden we net bij Maria Van Mierlo.
En tegelijkertijd volhardt de liefde. We vinden het zo prachtig verwoord bij Paulus: De liefde is geduldig en vol goedheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze (1Kor13, 4a.7). We zullen Gods Liefde blijven ontmoeten, ze zal ons blijven bevragen. In het verhaal van Jakob lezen we over een moment van 'ontwrichting'. Er zijn momenten in het leven die ons 'met de rug tegen de muur zetten', om het met de woorden van Struyf te zeggen. Momenten die ons ontwapenen, 'zandloper-momenten', waarin we voelen dat we op onze kern teruggeworpen worden. We worden bevraagd op wie we zijn en uitgenodigd te luisteren naar wat we 'horen' te doen, trouw – gehoorzaam – aan ons ware zelf en aan de Liefde. Momenten met een 'knik', scharniermomenten, die ons leven bepalen.
Nieuwe wegen openen zich. Die gedachte ligt vervat in de nacht die ten einde loopt. De dageraad komt met nieuwe kansen, nieuw leven. Jakob vervloekt zijn tegenstander niet om de last/pijn die hij heeft geleden, maar vraagt diens zegen. Een strijd die ons dichter bij onszelf en God brengt, is een zegen. We trekken 'lichter' door het leven, met minder 'ballast' (want die krijg je niet door dat smalle gaatje) en met meer van dat soort 'goddelijke' rust waarvan zuster Caritas aan Annemie belooft ervoor te bidden. In de woorden van zuster Katharina: "We hoeven ons niet mooier voor te doen dat we zijn. We mogen al onze zwakheden tonen en zullen toch aanvaard worden. Als je dat voelt, word je vanzelf mild voor de medemens." (p.85)
Als de ander God is, is het vreemd dat God Jakobs naam niet zou kennen. In Bijbelse roepingsverhalen roept God mensen steevast bij naam, zoals bij Mozes (Ex3, 4) of bij Samuel (1S3, 10) of bij Elia. De naam wordt zelfs herhaald. Roeping, de liefde die aan ons trekt en ons vraagt om een antwoord, dat is altijd een persoonlijk gebeuren: het gaat erom met alles wie we zijn, met onze diepste, unieke zelf, met heel ons wezen, ons leven vanuit die liefde vorm te geven. Hier vraagt God naar Jakobs naam. God weet wel wie Jakob is, maar de vraag is: weet Jakob het zelf wel? Wie is hij wààrlijk? Ik koos de vraag als titel van mijn conferentie. Een week OJP, dat is luisteren naar God die ook ons vraagt: "Hoe luidt jouw naam?" Wie ben jij écht?
En dan krijgt Jakob een nieuwe naam. Een naamsverandering in de Bijbel wijst op een innerlijke verandering die iemand heeft meegemaakt en ook op de aard van de roeping die de persoon in zich draagt. Jakob betekent 'hij licht de hiel', omdat hij zijn tweelingsbroer bij de geboorte letterlijk bij de hiel nam en later figuurlijk een hak zette en bedroog. Met dat verleden heeft Jakob gevochten, dat verleden heeft hij voor God gebracht en een nieuwe dag biedt zich aan. Voor Jakob wordt het de dag van verzoening met zijn broer. Voortaan heet Jakob 'Israël', vechter met God! en hij nodigt ons uit - daagt ons uit – ook dat gevecht aan te gaan. Paulus spreekt van 'de goede strijd', wanneer we het geloof behouden, vasthouden aan het goede. Zoals Jezus het deed, tot op het kruis. (2 Tim 4, 7; de wedloop? = sportbeeld > gaat er niet om de eerste te zijn, maar prioriteiten te stellen; er dringt zich vanalles aan ons op; waarop zetten we in, waaraan wijden we ons?). In het Hebreeuws kan strijden 'met' trouwens ook gelezen worden als strijden 'samen met'. De goede strijd gebeurt met God aan onze zijde.
30Jakob vroeg: ‘Zeg me toch uw naam.’ Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ Toen zegende die ander hem daar. 31Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want,’ zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en toch is mijn leven gered. Zodra hij bij Penuel was overgestoken, ging de zon over hem op. Jakob liep mank.
Jakob vraagt op zijn beurt naar de identiteit van de ander. De vraagt zich af waarom dat nodig is. Is het ook hier niet zo dat hij het antwoord eigenlijk al weet? En dat hij eigenlijk om een bevestiging vraagt voor de ver-wonder-ing die hij ervaart en waar hij niet bij kan. Jakob voelt blijkbaar een aarzeling, een drempel, een schroom. Zou dit echt God zijn? Jakob krijgt antwoord, bevestiging, in de vorm van een zegen. Hij voelt zich zodanig gezegend – een gevoel dat ook dankbaarheid en vreugde inhoudt – dat hij erkent: ik heb God 'gezien', ontmoet, ervaren. En dat bij leven.
Dat de zon opgaat over Jakob, doet me denken aan het nachtelijke gebed, hier in Orval om 5u. Zuster Katharina zegt: "Terwijl de meeste mensen slapen, staan wij op, op het duisterste uur. Precies dan komen wij uit ons bed om aan God het goede te vragen. Dan bidden we dat het voor iedereen weer licht mag worden, letterlijk en figuurlijk. Mooier kan toch niet?" (p.55).
Inderdaad, het is prachtig voor Jakob dat het weer licht wordt voor hem. En wij zullen zondag de overwinning van het licht op het duister samen vieren. Maar wat dan met Jakobs manken? Jakob is blijvend getekend door de ontmoeting met God. Dat kan negatief klinken, maar het is – als je 't mij vraagt – een sprekend beeld voor de realiteit. God ontmoeten 'ontwricht'. Je loopt niet (meer) recht. Trouw blijven aan je ware zelf en anderen ondersteunen dat ook te doen, kiezen voor de liefde die verbindt, dat betekent kronkelend, zoekend en tastend, en creatief scheppend je unieke pad gaan. Dat biedt vreugde – een diepe vervulling die ons de richting wijst (cf. boek van Nikolaas Sintobin) – maar dat (ver)loopt niet altijd makkelijk. Thérèse van Lisieux, een Franse karmelitessenzuster, noemde God een zotte liefde. Een week van je zomervakantie doorbrengen in een abdij in een sfeer van stilte en gebed, je moet goed zot zijn. We verlaten de rechte, gebaande wegen en de snelweg van meer, hoger, verder. Om het met een woord te zeggen van een hedendaagse Jakob: we gaan (in de ogen van de samenleving) aan het 'wiebelen'. 'Wiggle'. > film Jacob Collier. Als moeder van drie wiebelende zonen – een muzikant in opleiding, een goudsmid in wording en een kok die als 10-jarige ooit zei: "ik denk niet dat er een plaatsje is voor mij op de wereld" – is dit een filmpje dat me oprecht weet te raken.
33Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.
Er blijft nog één vers in het verhaal over. Het duidt het ontstaan van een joodse spijswet. Je kan er snel overlezen of geneigd zijn het weg te laten. Ik nam het bewust mee op. Het laat zien hoe ervaringen die ons tekenen zich vertalen in het concrete van elke dag. We zeggen wel eens 'count your blessings', maar misschien zeggen we beter: 'make your blessings count'. Zorg ervoor dat je zegeningen een verschil maken in de manier waarop je je leven vormgeeft: in je manier van eten, drinken, je verplaatsen, kijken, spreken, zwijgen, handelen, werken, feesten… Hoe gaan we om met elkaar? Met de tijd die ons is gegeven? Met de schepping – mens en natuur - die ons is toevertrouwd?
Bij het vormgeven van ons leven – het lezen van dat kompas – kan gebed helpen. Het gebed zoals we dat hier in Orval mogen (her)ontdekken is namelijk geen infuus in de betekenis van een shot, een soort drug, om de realiteit ontvluchten. Bidden betekent dat we te midden van ons onderweg-zijn in het leven bewust halthouden, luisteren en kijken: naar wat achter ons ligt, voor ons, rondom ons en in ons. Aan vragen, zorgen, zegeningen. Dat we horen wat de liefde ons toefluistert, om dan met ons concrete leven te gehoorzamen.
Bidden is daarom nog iets anders dan stilvallen en mediteren, legt zuster Beatrijs uit. "Een boeddhist die mediteert, maakt het ook stil in zichzelf. Als een christen bidt, komt hij of zij tot rust in Gods aanwezigheid. Bidden is een dialoog, een relatie aangaan met God. Die relatie kan je opbouwen. Ik kan bijvoorbeeld heel goed bidden door een psalmvers diep in mij te laten doordringen. Maar misschien werkt dat voor jou helemaal anders. Laat de dingen gewoon gebeuren. Je moet vooral niet al te hard je best doen." (p.128f)
Zuster Beatrijs haalt een aantal essentiële kenmerken aan van gebed: (1) eerst en vooral is er de context van relatie. We zoeken de verbinding op met God, het mysterie van de liefde, de bron die voedt en leven geeft en richting wijst. (2) Relatie – en zo ook gebed – is altijd persoonlijk. Niemand kan die verbinding in onze plaats aangaan. We kunnen uiteraard wel samen bidden en het gebed van de ander kan ons meenemen, maar we moeten wel zelf meestappen en binnenstappen in de relatie. (3) Persoonlijk is ook de manier van bidden. In de dialoog van het gebed gebruiken we elk onze eigen 'taal', de taal die we spreken én de taal die we verstaan, die ons aan-spreekt. Cf. Collier: muziek. We 'wiebelen' elk op onze eigen manier. (4) Bij het bidden gaat het er niet om 'hard je best te doen'. Het gebed is geen prestatie die we moeten neerzetten en er is geen bepaald niveau dat we moeten halen. "Zakdoeken plooien is ook een vorm van bidden", zegt de 93-jarige zuster Stefana. Het belangrijkste is onze houding, onze richting. Vandaar ook de terugkerende oproep in de Bijbel: 'bekeer je' > keer je om, in de richting van het licht. (5) Dat goddelijke licht is er, altijd en overal en voor iedereen. Wij hoeven dat licht niet zelf te maken of aan te steken. Het gebed 'gebeurt', zegt zuster Beatrijs. Gods Geest bidt in ons, zegt apostel Paulus, "met woordloze zuchten" (Rom 8, 26). We horen Gods zuchten (= zijn adem, als een stille bries) in de schepping, in de stilte, in een samenzijn in diepe verbondenheid. We hoeven het gebed niet 'uit te vinden' of 'zelf te maken'; we mogen ons aansluiten bij het gebed dat overal 'leeft'.
Om die aansluiting te vinden, is luisteren essentieel. "Luister" is het eerste woord in de regel van Benedictus, waarnaar de broeders in Orval hun leven richten. Luister is de oproep in het lied dat we voor deze eerste dag en ons eerste samenzijn kozen. Ik dank jullie alvast om naar mij te luisteren.
Gn 32, 23-33 23Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf zonen. 24Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant. 25Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. 26Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. 27Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ 28De ander vroeg: ‘Hoe luidt je naam?’ ‘Jakob,’ antwoordde hij. 29Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’ 30Jakob vroeg: ‘Zeg me toch uw naam.’ Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ Toen zegende die ander hem daar. 31Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want,’ zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en toch is mijn leven gered.’ 32Zodra hij bij Penuel was overgestoken, ging de zon over hem op. Jakob liep mank. 33Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.
« Geboren om mezelf te offeren »,
het offer van mijn lichaam, het offer van mijn leven
- Romeinen 12, 1-2 - Onze existentiële eredienst-
1 Broeders en zusters, ik smeek u bij Gods erbarming:
wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave,
die Hij kan aanvaarden.
Dat is de geestelijke eredienst die u past.
2 Stemt uw gedrag niet af op deze wereld.
Wordt andere mensen, met een nieuwe visie.
Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil,
en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt.
- Hebreeën 10, 5-10
5. Daarom zegt Christus dan ook, als Hij in de wereld komt:
“Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild,
maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid.
6. Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen.
7.Toen zei Ik: Hier ben Ik.
Zoals er in de boekrol over Mij geschreven staat,
Ik ben gekomen, o God, om uw wil te doen”.
8. Eerst zegt Hij:
“Slachtoffers en gaven, brandoffers en zoenoffers
hebt Gij niet gewild, die konden U niet behagen’,
hoewel de wet voorschrijft dat ze gebracht moeten worden”.
9. En dan zegt Hij:
“Hier ben Ik, Ik ben gekomen om uw wil te doen”.
Hij schaft dus het eerste af om het tweede te laten gelden.
10. En het is door die wil dat wij geheiligd zijn,
eens voor al, door het offer van het lichaam van Jezus Christus.
.
Psalm 40, 7-9 :
Gij hebt geen offer of geschenk gewild, Gij hebt mijn oor geopend;
Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mij,
Dus zei ik: « Ja, ik kom!’
“Want in de boekrol staat van mij geschreven dat ik uw wil volbreneng moet”
“Mijn God, dat is het wat ik wil, uw wet staat in mijn hart geschreven.”
Psalm 103
Verheerlijk, mijn ziel, de Heer,
zijn heilige Naam uit het diepst van uw wezen!
Eucharistisch gebed III
Jezus nam het brood, brak het en gaf het aan zijn leerlingen,
terwijl Hij zei:
Neemt en eet hiervan, gij allen,
want dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt
Neemt deze beker, en drinkt hier allen uit,
dit is mijn bloed dat voor u (en alle mensen) wordt vergoten
Blijft dit doen om Mij te gedenken.
***
Hij [de Heilige Geest] moge ons tot volmaaktheid voeren
en maken tot een eeuwige gave aan U
Quelques poèmes
Rilke (un poème écrit en français) Vergers, 27 (1925)
Hoe heerlijk is het soms om het met je eens te zijn,
oudere broer, o mijn lichaam,
hoe heerlijk is het om sterk te zijn
door jouw kracht,
om je te voelen als blad, stengel, schors
en alles wat je nog kunt worden,
jij, zo dicht bij de geest.
Jij, zo oprecht, zo één
in je openlijke vreugde
om die boom van gebaren te zijn
die, even, de hemelse gang
vertraagt
om er zijn leven in te leggen.
Guillevic, (1955) :
Het volstaat pijn te hebben om dan te beseffen
Wat voor ‘n rijk is dit lichaam waarin zoveel kracht aan het werk is
[…]
Maar we moeten leren die kracht in goede banen te leiden.
Guillevic
Kijk nog eens goed:
De bomen hullen zich in groen,
Nemen meer ruimte in,
Strekken hun takken uit,
Kijk hoe ze zich overgeven
aan de vreugde van het leven.
François Cheng (Orient, 291)
De pijnbomen heffen hun takken op, de palmbomen
spreiden hun bladeren, met één gebaar
betuigen ze, namens de aarde,
hun onuitputtelijke dankbaarheid.
Andrée Chedid, Je célèbre la chair (1999)
Ik prijs het lichaam
Ik prijs het lichaam
En ik prijs deze God
Die, om ons te doorgronden,
ons vlees op zich nam
en zich aan de tijd verbond.
« Hoe kan ik mijn dank betuigen voor al wat de Heer mij gaf? »
Psalm 116
„Hoe kunnen we de weldaden die onze handen hebben ontvangen
terugbrengen naar hun Bron?”
Orval, Hymne voor de vespers
|
Gij zult de Heer uw God liefhebben,
Met al uw kracht, Met al uw verstand, Met heel uw lichaam, Met al uw verbeeldingskracht, Met al uw vermogens, Met heel uw wezen
|
Gij zult tot de Heer bidden met heel uw hart
Met al uw kracht, Met al uw verstand, Met heel uw lichaam, Met al uw verbeeldingskracht, Met al uw vermogens, Met heel uw wezen
|
Bidden als het lichaam van Christus: het liturgisch gebed
Ik wil vertrekken van een gebed van André Sève, dat een mooie omschrijving geeft van wat bidden is:
Vestig mij in U, o God
Stil
Verzameld.
Geheel en al wakker in geloof.
Volkomen prijsgegeven aan Uw scheppende kracht.
In onvoorwaardelijke liefde voor mijn zusters en broeders.
Établissez-moi en Vous.
Paisible.
Rassemblé.
Tout éveillé en ma foi.
Tout livré à votre action créatrice.
Dans l’amour inconditionnel de mes frères.
- Persoonlijk gebed en liturgisch gebed: gelijkenissen
De elementen die Sève aanwezig ziet in het persoonlijke gebed, zijn eigenlijk ook aanwezig in het liturgisch gebed. In de liturgie is de uitdaging dezelfde als in het persoonlijk gebed:
- We proberen verbinding te maken met God, doorheen een dialoog van luisteren en spreken. De kern van het persoonlijk én liturgisch gebed is de ontmoeting met God.
- Dit vraagt van de mens een houding van ‘stil worden’: ontvankelijk worden om open te staan en te luisteren naar de stem van Iemand anders.
- Echt ontvankelijk worden veronderstelt aandacht, ‘wakker’ zijn, met al onze menselijke vermogens.
- Voor wie stellen we ons open? Voor Gods Geest, dat is: de scheppende creatieve kracht van de Liefde.
- De Liefde van en voor God is nooit een ‘individueel geschenk’: het verwijst ons onmiddellijk naar onze broeders en zusters.
- Persoonlijk gebed en liturgisch gebed: verschillen
Er is dus een grote gelijkenis tussen het persoonlijk gebed en het liturgisch gebed. En toch zijn er ook enkele wezenlijke verschillen.
-
- De liturgie is het publieke gebed van de hele kerkgemeenschap
Ten eerste is het liturgie het publieke, ‘openbare’ gebed van de Kerk als dusdanig.
Dom Lambert Beaudouin, een Belgische monnik, de pionier van wat men noemt de ‘Liturgische beweging’ schreef in 1913 een soort pamflet onder de titel: ‘La piété de l’Eglise’. Zijn kritiek was dat de liturgie voor de meeste gelovigen onbekend en onbegrepen terrein was, en dat ze niet in de liturgie het voedsel zochten voor hun vroomheid en religieuze overtuiging. Dat klopt niet, schrijft Beaudouin, want het is de liturgie die de vroomheid van de Kerk moet voeden: ‘La liturgie est la piété de l’Eglise’.In de vroege Kerk was er geen scheiding tussen enerzijds de liturgie en anderzijds de ‘persoonlijke devoties’: het is in en door de liturgie dat de gedoopten hun geloof in Christus en in God laten vormen en voeden.
Als Bijbelse grond van deze overtuiging kunnen we verwijzen naar Handelingen 2, 41-47:
41 Zij die het woord van Petrus aannamen, lieten zich dopen; en op die dag sloten zich ongeveer drieduizend mensen aan. 42 Ze wijdden zich trouw aan het onderwijs dat de apostelen gaven, en aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed. 43 Vrees beving iedereen en er gebeurden vele wonderen en tekenen door toedoen van de apostelen. 44 Allen die het geloof hadden aangenomen, bleven bijeen en bezaten alles gemeenschappelijk. 45 Ze verkochten have en goed en verdeelden dat onder allen naar ieders behoeften. 46 Dagelijks gingen ze trouw en eensgezind naar de tempel, braken bij iemand aan huis het brood, gebruikten samen hun maaltijden in blijdschap en eenvoud van hart, 47 loofden God en stonden in de gunst bij heel het volk. De Heer breidde hun kring dagelijks uit; steeds meer mensen werden gered.
De auteur, Lucas, beschrijft hoe de eerste christenen zich verzamelen om samen ‘het brood te breken’ – dat is één van de oudste benamingen voor de eucharistie – en te bidden. Ze blijven samen naar de tempel gaan voor het gebed (zoals ze dat als joden gewend waren), terwijl de eucharistie in huisgemeenschappen wordt gevierd.
Het liturgische gebed is dus wezenlijk een gemeenschapsgebed, een gebeuren van een groep, waarin men zal als groep tot God richt. Paulus noemt de verzamelde gemeenschap van christenen ‘het Lichaam van Christus’: het is dat levende, kerkelijke Lichaam, dat over de hele wereld verspreid is, dat bidt in de liturgie.
-
- De rol van het lichaam en de zintuigen
Een tweede belangrijk verschil tussen het persoonlijke gebed en het liturgisch gebed heeft te maken met de rol die het lichaam speelt. Natuurlijk speelt ook in het persoonlijk gebed ons lichaam een wezenlijke rol. Daarover heeft broeder Bernard-Joseph reeds gesproken: we bidden niet alleen met ‘ons hart’, met onze gedachten en innerlijke gevoelens. We worden geroepen om al onze vermogens, ook ons lichaam in te zetten tijdens het gebed.
Maar toch: in het liturgische gebed worden ons lichaam en onze zintuigen op een bijzondere manier aan het werk gezet, sterker en veelvormiger dan in het persoonlijke gebed.
Om dat wat te onderbouwen, vertrek ik van een tekstfragment van Romano Guardini, een grondlegger van de Liturgische beweging in Duitsland. In het eerste boekje dat hij publiceerde in 1918, De Geest van de liturgie, probeert hij de eigen manier te omschrijven waarop de liturgie met de werkelijkheid omgaat: heel anders dan de wetenschap of de filosofie. De liturgie werkt niet zozeer met concepten of ideeën, die het rationele verstand aanspreken. Neen, schrijft Guardini, de liturgie is een ‘spel van de zintuigen’, dat de werkelijkheid op een heel eigen manier benadert:
‘Liturgie beoefenen betekent: gedragen door de genade, geleid door de Kerk, worden tot een levend kunstwerk voor God, met geen ander doel, dan voor God te zijn en te leven; - dat betekent: het woord van de Heer realiseren en ‘worden als kleine kinderen’; eens en voorgoed het ‘grote-mensen-gedoe’ verzaken, dat overal doelbewust wil handelen, en ertoe besluiten te spelen, zoals David deed, toen hij danste voor de ark. Zeker kan het daarbij gebeuren, dat al te verstandige mensen, die door louter ‘volwassen-zijn’, vrijheid en frisheid van geest hebben verloren, niets daarvan verstaan en ermee spotten. Maar ook David moest het zich laten welgevallen dat Michol om hem lachte. Ook daarin bestaat dus de opdracht van de opvoeding tot de liturgie, dat de ziel moet leren niet overal naar een doel te zoeken, niet al te doelbewust, niet al te verstandig, niet al te ‘volwassen’ te willen zijn, maar de kunst te verstaan om eenvoudigweg te leven. Zij moet de rusteloosheid van de naar het doel jagende bedrijvigheid ten minste in het gebed aan de kant leren stellen. Ze moet het leren om voor God tijd te verspillen, om woorden, gedachten en gebaren voor dat heilige spel vrij te hebben zonder daarom meteen te vragen: waartoe en waarom? Niet altijd er op uit zijn, om iets te doen, iets te bereiken, iets nuttigs tot stand te brengen, maar leren in vrijheid, schoonheid en heilige blijheid voor God het goddelijk geordende spel van de liturgie te spelen.’
Deze omschrijving drukt opnieuw uit wat het brandpunt is van de christelijke liturgie: de ontmoeting vieren tussen God en de mens.
‘Feest vieren’
Ik wil nog even stilstaan bij dat werkwoord ‘vieren’. Het duidt een heel specifieke manier aan om de werkelijkheid te benaderen. Wanneer mensen ‘vieren’, dan spreekt er veel meer mee dan alleen hun verstand: het gaat er niet zozeer om dat ze willen nadenken over de wereld, dat ze de werkelijkheid willen analyseren of onderzoeken. Vieren heeft ook niet als rechtstreeks doel om iets aan de werkelijkheid te veranderen, zoals we dat doen in een concreet engagement. Wanneer mensen vieren, willen ze in de eerste plaats stil blijven staan bij wat écht belangrijk is in hun bestaan en uitdrukking geven aan de ervaringen, overtuigingen en waarden die in hen leven. Dat is zo in het gewone menselijke leven, wanneer mensen een ‘feest’ vieren. Denk aan een verjaardag, of een huwelijksjubileum, of het vieren van oudejaarsavond.
Het eigen karakter van het ‘vieren’ komt duidelijk aan het licht in de kenmerken van het ‘feest’. Een feest legt het gewone leven stil en geeft de mens gelegenheid om aandacht te schenken aan waarden waar hij tijdens de (drukke) bezigheden van elke dag vaak aan voorbij gaat. Het laat de mens toe om zijn wereld en zijn leven met andere ogen te bekijken, en zo met vernieuwde kracht het dagelijkse ritme weer aan te vatten. Een feest is ook een belangrijke manier om gemeenschap en verbondenheid uit te drukken én te scheppen. Het helpt om relaties tussen vrienden, familieleden, buren, … te onderhouden en te verdiepen. Op een feest zullen het ‘stil staan’ en de onderlinge verbondenheid vaak een uitdrukking krijgen in symbolen en rituelen.
Deze kenmerken van het ‘feest vieren’ komen ook terug in het liturgische vieren. Ook bij de viering van de ontmoeting tussen God en de mensen wordt het gewone levensritme onderbroken, om aandacht te schenken aan wat wezenlijk is. De liturgie doet onze de wereld en het leven met andere, nieuwe ogen bekijken. De liturgie drukt de verbondenheid uit tussen mensen en God en voedt en versterkt die ook. En ook in de liturgie wordt er een beroep gedaan op de verschillende menselijke vermogens en wordt heel de mens, met al zijn zintuigen, aangesproken, via een spel van symbolen en rituelen. De ontmoeting met God krijgt vorm in een samenspel van woorden, beelden, symbolen, rituele gebaren, lichaamshoudingen, bewegingen, zang, stilte, muziek, …
Ook hier is de Schrift eigenlijk het fundament en de voedingsbodem. In de joodse tempelliturgie spelen het lichaam en de zintuigen een wezenlijke rol.
Als voorbeeld kunnen we psalm 147 nemen. Het is een loflied voor God, waarin de gemeenschap opgeroepen en uitgenodigd wordt om (v. 1, 7, 12) (muziek) te spelen voor God en om voor Hem luidop te zingen. In andere psalmen wordt ook dans vernoemd.
Stemmen uit de traditie
De wezenlijke rol van ons lichaam en onze zintuigen in de liturgie wordt geïllustreerd in 2 bekende ‘spreuken’ die teruggaan op belangrijke figuren uit de vroege Kerk: Augustinus en Benedictus.
- Per visibilia ad invisibilia (Augustinus)
Dat betekent letterlijk: ‘Doorheen de zichtbare dingen naar de onzichtbare dingen’
Augustinus is ervan overtuigd dat de mens door het aanschouwen van de wonderen van de schepping de maker ervan, de Schepper, kan ontdekken: men kan God vinden via ontelbare zichtbare en tastbare tekenen (‘signa’) in de schepping. Die idee komt eigenlijk al bij Paulus voor, in zijn brief aan de Romeinen (1, 19-20)[1]. Volgens Paulus is de schepping een venster op God. Omdat de zichtbare wereld (de kosmos) zo overweldigend is geordend, vormt zij een tastbare getuige van de onzichtbare Schepper. De mens heeft volgens de apostel dus geen enkel excuus om het bestaan van God te ontkennen, omdat de waarheid zich via de zintuigen en het verstand opdringt.
Augustinus herneemt die gedachte in verschillende van zijn werken (o.a. Belijdenissen[2], Over de Drie-eenheid). Ze speelt ook een rol in zijn denken over de liturgie en de sacramenten. Hij omschrijft de eigenheid van een ‘sacrament’, als een ‘heilig teken’ (signum sacrum), een teken waarbij het zichtbare element ons verwijst naar en in contact brengt met de onzichtbare goddelijke werkelijkheid:
‘Dit noemt men, broeders, daarom sacrament, omdat wij daarbij het éne zien en ons begrip het andere aanwezig weet. Wat wij zien heeft een lichamelijke gedaante, wat het begrip aanwezig weet, werpt geestelijke vruchten af.’ (Sermo 272, PL 38, 1247).
Hiermee vat Augustinus de fundamentele bedoeling samen van heel de liturgie: de deelnemers helpen om doorheen de zichtbare tekens en handelingen door te stoten naar de innerlijke onzichtbare geloofswerkelijkheid die zich in de viering afspeelt: de ontmoeting tussen God en zijn Volk.
De uitdaging voor de concrete liturgische praktijk is dus: ‘Hoe kunnen we zó vieren dat de liturgie ook echt beleefd kan worden als de plaats waar Jezus Christus ons binnenleidt in de ontmoeting met de levende God?’ Of nog iets anders en algemener geformuleerd: ‘Hoe kunnen we er voor zorgen dat het verwijzende karakter van de liturgie aan het licht komt?’ Het is niet vanzelfsprekend om in de praktijk dit verwijzend karakter van de liturgie ernstig te nemen en prioritair te stellen – ook al is dit eigenlijk wezenlijk om de liturgie niet tot een vreemd ritueel schouwspel te maken. In de liturgie vieren we niet onszelf, maar het paasmysterie van Jezus Christus, die ons binnenleidt in het Verbond met God, zijn Vader …
Ik stip enkele voorbeelden aan van zintuiglijke handelingen die ons verwijzen naar een geestelijke werkelijkheid in de liturgie:
- Het rechtstaan:
In de liturgische samenkomst worden de gelovigen uitgenodigd om ‘aanwezig’ te zijn, om ‘zich in aanwezigheid te stellen van zichzelf, van de anderen en van God’. Hoe melden mensen zich ‘present’? Heel vaak door recht te staan. De eerste houding van het gemeenschappelijk gebed is daarom het rechtop staan, om uit te drukken dat de hele mens voor God staat. In de vroege kerk knielde men nooit tijdens de liturgie op zondag! Basilius de Grote toont goed aan dat het rechtstaan op zich reeds een symboolhandeling is, die een diepe betekenis wil uitdrukken:
‘Het is rechtstaande dat we ‘s zondags bidden. Maar niet iedereen kent er de reden van. Het is niet alleen omdat we, ‘verrezen met Christus, moeten zoeken wat boven is’ (om zo genade te verkrijgen op de dag van de opstanding), dat we onszelf rechtop biddend bij God aanbevelen; het is omdat deze dag in zekere zin een beeld realiseert van de wereld die komen zal … Daarom leert de Kerk haar kinderen om op de achtste dag hun gebeden rechtstaand uit te spreken.’[3]
Als we ons even tot de eucharistie beperken, zien we dat het symbolische karakter van deze lichaamshouding nog een verschillende ‘kleur’ krijgt naargelang het moment in de viering. Wanneer we recht staan bij de intredeprocessie is het om uit te drukken dat we voor God (coram Deo) willen verschijnen en Jezus Christus willen begroeten, in de persoon van de priester, in de symbolen van het processiekruis, het evangelieboek en het altaar (dat door de priester zelf begroet wordt met een kus omdat het naar Christus verwijst). Bij de proclamatie van het evangelie staan we recht om Jezus Christus te begroeten als de Levende, die ons opnieuw zijn Woord toespreekt. Het rechtstaan tijdens de geloofsbelijdenis daarentegen heeft een andere bedoeling: het onderstreept het publieke karakter van de ‘belijdenis’ van het ‘symbolum’, de symbolische samenvatting van het christelijk geloof.
- Zingen
‘Qui cantat, bis orat’ schreef Augustinus al: ‘Zingen is bidden in het kwadraat’
Zingen veronderstelt een intensere fysiologische activiteit dan spreken. Het zet ons lichaam sterker aan het werk, met name door een diepere ademhaling. Juist omdat het zingen dieper in het lichaam ontspringt dan het spreken, is het ook uitdrukking van een sterkere betrokkenheid en een intenser engagement. De gezongen dialoog ‘De Heer zij met u’ – ‘En met uw geest’ klinkt meestal meer geëngageerd dan de gesproken dialoog.
Samenzang is van in de oudste Kerk een belangrijke gebedsvorm, omwille van verschillende redenen. Het is ten eerste een belangrijke manier om een groep van mensen samen te smeden: waar mensen samen een lied zingen, ontstaat er gemakkelijker een gevoel van gemeenschap en verbondenheid (dat weten de voetbalfans ook …!)
Liederen kunnen verder op een eigen, indringende manier vorm geven aan gebed en geloof.[4] De conceptuele inhoud is misschien soms minder helder dan in een gewone tekst, maar de expressieve kracht wordt vaak groter dankzij de melodie. Teksten van een lied blijven vaak veel dieper hangen in ons geheugen dankzij de melodie die hen draagt.
Liederen passen ook uitstekend bij een sfeer van feest en blijdschap: doordat de taal er op een ongewone manier vorm krijgt – omdat ze gezongen wordt – laten liederen toe dat woorden het alledaagse taalgebruik overstijgen. Hiermee bewerken ze, net zoals echte feesten, dat het gewone ritme en de gewone tijdsbeleving worden doorbroken, en dat ze mensen ruimte geven om nieuwe kracht op te doen
Ook de melodie zelf kan een bron zijn van authentieke Godservaring. Voorbeelden hiervan zijn het Gregoriaans, waarmee zo veel mensen gebeden hebben, ook als ze de woorden niet verstonden, of de eenvoudige Taizé-liederen.
‘Zingen brengt de persoon tot eenheid en sticht ook eenheid in de gemeenschap. De zang bevordert een luisterende houding, een houding van mededogen, van vreugde, van sereniteit. Wie met lichaam en ziel zingt, voelt zich ‘opgewekt’ in zijn zintuigen en zijn manier van doen. Het lichaam van wie zingt, is de heilige grond waarop hij/zij voor God komt te staan.’ (Universa Laus)
- Processies
Processies zijn gezamenlijke ‘verplaatsingen’ die een uitdrukking zijn van de identiteit van ‘Gods Volk’, dat op aarde een volk van ‘pelgrims’ is: mensen onderweg.
De liturgie kent verschillende processies, die ook een eigen betekenis en functie hebben. Tijdens een doopviering zijn er verschillende processies mogelijk: van het kerkportaal naar de plaats waar de Schrift wordt voorgelezen, verder naar de doopvont en tenslotte naar het altaar.
De eucharistie telt niet minder dan 4 processies: de intredeprocessie, de processie bij de verkondiging van het evangelie, de processie bij het aanbrengen van de gaven en de processie bij de communie.
Waarom staan we recht tijdens het intredelied en de intredeprocessie? We drukken er mee uit dat we in Gods aanwezigheid willen verschijnen, dat we Hem en zijn Zoon willen ontmoeten.
De beweging van de intredeprocessie laat goed aanvoelen dat alle handelingen, woorden, bewegingen, … in de liturgie een symbolische betekenis hebben: het gaat er niet om zo snel en efficiënt mogelijk vanuit de sacristie naar de voorgangerszetel te lopen … De intredeprocessie wil de gemeenschap enerzijds bewust maken dat zij naar Iemand toe gaat (God), en anderzijds dat er ook Iemand in haar midden op bezoek komt (de verrezen Heer Jezus Christus).
- Mens concordet voci (Benedictus)
Deze spreuk vindt haar oorsprong in de regel van de heilige Benedictus, hoofdstuk 19 dat handelt over de aandacht bij het psalmzingen. Benedictus zegt tot zijn monniken:
‘Laten wij overwegen hoe wij ons moeten gedragen in het aanschijn van God en zijn engelen, en als wij rechtop staan bij het zingen van de psalmen, laat onze geest dan in harmonie zijn met onze stem (ut mens nostra concordet voci nostrae).’
Letterlijk vertaald staat er: ‘dat onze geest overeenstemt met onze stem’. De pointe van de spreuk zit hem in de leesrichting: wat eerst komt is de (klank van de) stem; de geest moet zich daarop afstemmen. In de context wil Benedictus zeggen dat de monniken de psalmen moeten zingen en er hun geest mee moeten laten doordrenken en door laten omvormen.
Deze regel geldt echter niet alleen voor het getijdengebed: hij drukt een wezenlijk kenmerk uit van de liturgie. Waar het eigenlijk om gaat is de verhouding innerlijkheid-uiterlijkheid. De regel in kwestie geeft prioriteit aan de stem, en meer algemeen aan de zintuiglijkheid. Hij wil dat het liturgische gebeuren invloed heeft op onze geest en onze mentaliteit. De beweging gaat dus van uiterlijkheid naar innerlijkheid. Eerst komt het doen, dan het verstaan. Het komt er in de liturgie niet op aan om mooie ideeën te vinden die men vervolgens tot uitdrukking kan brengen in een viering, maar om zich integendeel te laten grijpen door een gebeuren, bestaande uit allerlei uitdrukkingsvormen, beelden, woorden en handelingen, die de bedoeling hebben om onze ideeën en heel ons leven om te vormen.
Het is vanuit deze overtuiging – om de liturgie te leren smaken moeten we leren om ons te laten raken door het ‘zintuiglijke spel’ – dat de kerkvaders in hun catechese aan de doopleerlingen, de catechumenen, nog niet veel wilden spreken over de liturgie. De catechese ging vooral voor de Bijbel en de geloofsinhoud. Hun logica is: men kan nog niet echt ten volle ‘begrijpen’ wat men nog niet zelf heeft meegemaakt. Als men er vooraf over spreekt, blijft het altijd in zekere zin vreemd. Voor hen moet de catechese een ‘pedagogie van de zintuigen’ volgen: men moet eerst het gebeuren uitvoeren of meemaken om er nadien de diepere betekenis van te vatten. Of meer poëtisch gezegd: slechts wanneer je de ervaring deelt van een gebeuren, kan je niet alleen met de ogen van je lichaam leren kijken, maar ook met de ogen van je hart. In één van de doopcatechese (De sacramentis, 12), na gesproken te hebben over de genezing van de blindgeborene, zegt Ambrosius tot een doopleerling, terugblikkend op de paaswake waarin de catechumeen de initiatiesacramenten ontving:
‘Beschouw ook jij de ogen van je hart. Je hebt gezien wat lichamelijk is, met de ogen van je lichaam; maar wat de sacramenten betreft, je kon het nog niet zien met de ogen van je hart.’
Om in de liturgie thuis te komen is het dus nodig dat we de ‘zintuigen van ons hart’ tot ontwikkeling laten komen. Dat is in onze cultuur vandaag, die zoveel belang hecht aan wat wetenschappelijk bewijsbaar en meetbaar is, natuurlijk niet zo vanzelfsprekend.
- De liturgie als leerschool voor het gebed (lex orandi, lex credendi):
Om te leren bidden tot de Bijbelse God, de God waar het Nieuwe Testament over spreekt, hebben we de liturgie nodig. De liturgie vormt en voedt onze manier van geloven.
Dat wordt uitgedrukt in een andere oude spreuk: lex orandi, lex credendi. Dat betekent letterlijk: ‘De wet van het bidden is de wet van het geloof’. Dat betekent: de wijze van bidden bepaalt/vormt de wijze van geloven. De liturgie is een leerschool die ons kan helpen om God te vinden en dichter met Hem verbonden te gaan leven.
Wat kan de liturgie ons dan leren over God en over hoe we met Hem in contact kunnen komen? Laten we dit punt nog verder verkennen.
In de liturgie worden we opgenomen in de verbondenheid met God. Onze relatie met Hem wordt er tot uitdrukking gebracht, en precies dankzij die uitdrukking wordt ze gevoed en gesterkt. De Schrift spreekt echter niet alleen over ‘God’: er is ook sprake van ‘Vader, Zoon en Geest’. Deze beelden om over God iets te zeggen, bepalen eigenlijk de hele dynamiek van het christelijk liturgisch gebed: in de liturgie bidden we meestal tot de Vader, door en met de Zoon en in de Geest. Het is belangrijk om deze dynamiek in de liturgie te ontdekken. Dat kan heel eenvoudig door bij de verschillende teksten en gebeden de vraag te stellen: ‘Wie spreekt er hier tot wie?’ Dit helpt om beter de variatie aan spreekrichtingen in het gebed op het spoor komen. Zo wordt de viering ook veel méér dan zomaar een verzameling van ‘teksten’. We zullen ze leren te beleven als de heel gevarieerde dialoog tussen onszelf als verzamelde gelovigen en de Vader, de Zoon en de Geest.
De Vader spreekt… wij antwoorden
De christelijke liturgie kent een fundamentele drieledige structuur, die geërfd is uit de Bijbelse traditie: de opeenvolging van Schriftlezing, overweging en gebed. Deze drieslag is de rituele vertaling van het joodse geloof dat Gods Woord aan het begin staat van alles. Hij neemt ook het initiatief om ons aan te spreken. Volgens het Tweede Vaticaans Concilie doet God dat op een bijzondere manier in de Schrift: ‘In de heilige boeken treedt de Vader die in de hemel is liefdevol zijn kinderen tegemoet en spreekt met hen.’
Als wij in de liturgie de Bijbelverhalen telkens weer luidop voorlezen, is het juist om tot uitdrukking te brengen dat we in die oude schriftteksten Gods levend Woord voor ons vandaag willen ontdekken. De ‘dode letters’ worden er door de menselijke stem (de lector!) weer tot leven gewekt, opdat wij er Gods stem in zouden kunnen herkennen. Wij lenen onze adem aan het Woord van God dat in de Bijbelverhalen als het ware ‘bevroren’ zit, opdat het zijn levenwekkende kracht opnieuw kan vrijgeven. De liturgie is als een soort microgolfoven: ze maakt de ‘koude’ Bijbeltekst opnieuw ‘warm’ en ‘leven’ en zorgt ervoor dat het Woord opnieuw voedsel kan worden.
Wanneer het Woord van God wordt voorgelezen, is dit in de eerste plaats een uitnodiging om er aandachtig naar te luisteren: luisterbereidheid en ontvankelijkheid zijn de eerste basishoudingen van onze liturgie. Toch blijft het daar niet bij. De overweging van de ons toegesproken woorden daagt ook uit tot een antwoord. Dit antwoord moet op twee manieren klinken: in de liturgie zelf, door de lofprijzing, zegening en dankzegging van God en de onderlinge verbondenheid tussen de vierende gelovigen. Anderzijds ook in het dagelijkse leven, doordat de gelovigen zelf in woord en daad een levend teken worden van Gods gevende liefde.
Bidden tot de Vader…
De liturgie leert ons dus bidden tot God, de Vader. Waarom is dat zo? In de Bijbel staat God aan het begin van alles: Hij is de bron van alle leven en liefde, die ook ons met zijn scheppend Woord tot leven heeft geroepen. Daarom richt het liturgisch gebed zich meestal tot God de Vader: onze dankbaarheid, lofprijzing en smeking zijn uiteindelijk tot Hem gericht. Het Eucharistisch dankgebed is hiervan een goed voorbeeld. We spreken er altijd tot de Vader, zelfs tijdens de instellingswoorden, wanneer de priester de gebaren en woorden van Jezus herneemt. Daarmee willen we immers ook de Vader oproepen om de grote liefde te gedenken van zijn Zoon. Ook de andere gebeden, uitgesproken door de voorganger, zijn in principe tot de Vader gericht. Af en toe is er een – betekenisvolle – uitzondering, en spreken we Jezus Christus aan, zoals op 24 december: ‘Kom spoedig en talm niet, Heer Jezus …’
… met en door de Zoon…
Ook al richten we ons wezenlijk tot God de Vader tijdens de liturgie, toch draagt zij in zich ook het Bijbelse besef van zijn verborgenheid: ‘Niemand heeft God ooit gezien …’ (Joh 1, 18). Het is nooit vanzelfsprekend om te bidden tot Diegene die ons begrip ver te boven gaat. Daarom doen we in het liturgische gebed steeds weer een beroep op Jezus Christus, en bidden we ‘door Hem, en met Hem en in Hem’. In de rooms-katholieke liturgie is de brugfunctie van Jezus Christus een belangrijke vooronderstelling. Hij is het die ons door de gave van zijn Geest laat delen in de liefde van de Vader. Het vers uit Johannes vervolgt: ‘… maar de eniggeboren God, die nu rust aan het hart van de vader, Hij is de gids en de weg geweest’ (Joh. 1, 18). Door zijn zelfgave tot op het kruis heeft Jezus de kloof tussen God en de mensen overbrugd. Dankzij de verrijzenis - het antwoord van de Vader op het leven en het trouwe getuigenis van de Zoon - leeft Christus nu bij de Vader als onze advocaat en pleitbezorger. De Hebreeënbrief zegt: ‘Hij is de hemel zelf binnengegaan om er nu, voor onze zaak, bij God present te zijn’ (Hebr 9, 24).
Vanuit deze rol als Herder en ‘Bruggenbouwer’, wordt Jezus Christus in het liturgische gebed af en toe rechtstreeks aangesproken. Hét voorbeeld hiervan is het ‘Heer, ontferm U’ bij het begin van de eucharistie. Maar bij het evangelie zeggen we ook bijvoorbeeld: ‘Lof zij U, Christus’. Zo spreken we onze vreugde uit omdat we Hem opnieuw aan het Woord mogen horen. En vlak voor de communie bidden we Hem om de eerste vrucht van zijn verrijzenis: ‘geef vrede in uw naam en maak ons één …’
… en in de Geest
Jezus erkennen als de Levende is al méér dan mensenwerk. Paulus schrijft: ‘niemand kan zeggen ‘Jezus is de Heer’, tenzij door de heilige Geest’ (1 Kor 12, 3). Uiteindelijk is het alleen de Liefdeskracht van God zelf die de band mogelijk maakt tussen het Pasen van Jezus en ons eigen leven. Daarom wordt in de liturgie telkens weer Gods Geest ingeroepen: om ons het leven, sterven en verrijzen van Jezus in herinnering te brengen, om ons te laten delen in zijn verrijzenisleven en ons met zijn kracht te bezielen. In het hart van alle sacramentele vieringen zal dan ook steeds op één of andere manier klinken: ‘Vader, zend uw Geest’. Alleen op Pinksteren bidden we rechtstreeks tot Gods Geest, met de indringende vraag: Kom, Heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.’ Dit gebed om de Geest is belangrijk om ons als kerkgemeenschap niet al te zelfverzekerd op te stellen: wij hebben nooit greep op de aanwezigheid van Christus en de Liefde van God. Dit zijn altijd gaven, waar we bescheiden én vrijmoedig om mogen vragen.
Dus: de liturgie is een leerschool die ons de juiste ‘gebedsrichting’ aanwijst en ons meer laat thuiskomen in de intieme wederzijdse verbondenheid tussen Vader, Zoon en Geest.
- Besluit: is de liturgie vandaag een leerschool voor het gebed?
Ik verwees in het begin naar het pleidooi van Lambert Beaudouin, meer dan 100 jaar geleden, om de kloof tussen de liturgie en de geloofsbeleving van de mensen te overbruggen. De vraag is vandaag: waar staan we nu? Want voor vele mensen lijkt de liturgie in eerste instantie nog altijd onbekend, ‘onbegrijpelijk’, vreemd en ook onbemind.
Enzo Bianchi schreef in 2012[5]: ‘Ik wil mijn grote bezorgdheid en mijn pijn uitspreken om wat men kan omschrijven als een blijvende kloof tussen liturgie en spiritualiteit, of sterker nog: de miskenning van de band tussen liturgie en het geestelijk leven van de gelovige. Ten tijde van de liturgische hervorming ontdekte men en had men de overtuiging ‘dat het persoonlijke geestelijke leven van de christen als bron het Woord moet hebben dat God aan de Kerk heeft gegeven, vooral in de eucharistische liturgie, in het getijdengebed en in de sacramenten’ … Maar wat is er daarna gebeurd, in tegenspraak met de bedoeling van de liturgische hervorming en de enorme hoeveelheid materiaal die zij ter beschikking stelde van elke christen als bron van het geestelijke leven? Waarom bezitten de jongeren, ook zij die thuis zijn in het geloof, vandaag geen missaal meer en waarom voeden ze zich niet meer met de liturgie?’
Het klinkt wat als een klacht, maar Bianchi stelt wel een pertinente vraag … Als de liturgie voor ons geen leerschool wordt van het gebed, missen we een wezenlijk element van het christelijke geloof: God roept ons niet als losse individuen, Hij roept ons samen, Hij wil mensen verzamelen tot zijn Volk om het op te bouwen tot het levende Lichaam van Christus, tot een Tempel waarin zijn Geest mag wonen. Christen zijn we nooit alleen, en als christenen zijn we niet alleen uitgenodigd om God te zoeken in ons persoonlijk gebed: we moeten Hem ook samen leren danken, loven en smeken, als voorsprekers voor de hele mensheid.
Verwerkingsvragen:
- Wat was er nieuw voor jou in de inleiding? Waar heb je nog vragen bij?
- Wat zijn jouw ervaringen met het liturgisch gebed? Kan je de viering van de liturgie al ervaren als een plaats waar je verbondenheid met God en Jezus Christus gevoed wordt, als een ruimte waar je kan leren luisteren naar en spreken tot de Vader en de Zoon?
- Wat helpt je om meer thuis te komen in de liturgie? Wat vind je moeilijk of vreemd?
- ‘Je kan maar thuis komen in de christelijke liturgie, als je ook wat vertrouwd raakt met de Bijbel’: hoe reageer je op deze stelling?
- Heb je het al eens meegemaakt om in een liturgische viering ‘geraakt’ te worden en iets te proeven van de aanwezigheid van God (Vader, Zoon, Geest)? Waardoor werd je toen geraakt? Op welke manier?
[1] Rom 1, 19-20: ‘Want wat een mens van God kan weten is onder hen bekend; God heeft het hun geopenbaard. Van de schepping van de wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid.’
[2] Belijdenissen X, VI, 8: ‘Geen twijfel, maar zekerheid heeft mijn bewustzijn hierover, Heer, dat ik U liefheb. Gij hebt mijn hart getroffen met uw woord en ik ben U lief gaan hebben. Maar ook de hemel en de aarde en alles wat zij bevatten: het zegt mij allemaal aan alle kanten dat ik U lief moet hebben; het houdt niet op dat tot allen te zeggen, zodat ze niet te verontschuldigen zijn (cf. Rom 1, 20) … Maar wat heb ik nu lief, wanneer ik u liefheb? Geen schoonheid van een lichaam, geen luister van de tijd, geen lichtglans die mijn aardse ogen lief is, geen heerlijke melodieën van gevarieerd gezang, geen aangename geur van bloemen, reukwerken en specerijen, geen manna en geen honing, geen ledematen die welgevallig zijn aan de omhelzingen van het vlees: deze dingen zijn het niet die ik liefheb, wanneer ik mijn God liefheb. En niettemin heb ik zo iets als een licht lief, zo iets als een stemgeluid, zo iets als een geur, zo iets als een spijs en zo iets als een omhelzing, wanneer ik mijn God liefheb, die licht is en stemgeluid en geur en spijs en omhelzing van mijn innerlijke mens, daar waar voor mijn ziel die lichtglans fonkelt, die door geen plaats bevat wordt, daar waar die klank weerklinkt, die door geen tijd wordt weggerukt, daar waar die geur hangt, die door geen wind verstrooid wordt, daar waar die smaak bestaat, die door geen gretig eten wordt verminderd, daar waar die omhelzing wordt gegeven, die door geen verzadiging losraakt. Dat is het wat ik liefheb, wanneer ik God liefheb.’
[3] Basilius de Grote, Over de Heilige Geest, 27, 2.
[4] Cf. Bishops’ Committee on the Liturgy of the NCCB, Music in Catholic Worship, 24: “Muziek kan niet alleen uitdrukking geven aan teksten, ze kan ook een dimensie van betekenis en aanvoelen aan het licht brengen, een communicatie van ideeën en intuïties die woorden alleen niet zouden kunnen tot stand brengen.” (in: J. M. Kubicki, Liturgical Music as Ritual Symbol, 1999, p. 19).
[5] E. Bianchi, Nieuwe stijlen van evangelisatie, Averbode, 2015, 57-28.